FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
woensdag, 17 January 2018 09:45

Zijn waar je bent, op een vreemde plek

Zijn waar je bent, op een vreemde plek Tekst: Elske Cazemier Beeld: Stijn Rademaker

“Oom, we moeten praten”, zegt zijn nichtje. Het is niet anders. Haar geliefde oom moet de waarheid onder ogen zien: hij kan niet meer thuis wonen, hij moet naar het verpleeghuis. Maar hoe te leven als je berooid en ontworteld bent? Hoe te leven op een vreemde plek? Elske Cazemier over haar oom Dolf en de kunst om te zijn waar je bent.

Met kramp in mijn maag zit ik tegenover mijn oom. We moeten dit gesprek voeren, al willen we het geen van beiden. Voorzichtig kies ik mijn woorden: “Oom, we moeten praten over wat de dokter vanmorgen heeft gezegd. Hij vindt het niet verantwoord dat u terug naar uw huis gaat.” Oom Dolf zit slapjes tegenover me in een stevige ziekenhuisstoel. Zijn ogen staan mat. Hij hoeft niets te zeggen, ik weet hoezeer het verpleeghuis hem tegenstaat. Ik durf het woord niet eens in de mond te nemen. “Ik vind het heel erg voor u, maar het zou thuis niet meer gaan, oom, echt niet.” Hij schiet vol, wriemelt wat in zijn broekzak en haalt er een grote blauw geblokte zakdoek uit. Ik weet het zelf ook niet meer. Het voelt alsof ik mijn oom in de steek laat, terwijl dat het laatste is wat ik zou willen. Ik sla mijn arm om zijn schouder en zo zitten we een tijdje stilletjes in de smalle witte ziekenhuiskamer.
We hebben het hier eerder over gehad. Maar hij kan het niet, denkt hij. Hij kan niet weg van zijn eigen huis, van alle herinneringen aan zijn leven daar met zijn lieve vrouw, niet van de buurman die elke ochtend de krant komt brengen en van zijn studeerkamer met de vele boeken waaraan hij gehecht is. Hij wil zelf beslissen hoe laat hij opstaat, wat hij eet en met wie hij omgaat.
Maar het is niet anders. Ik kan niet voorkomen dat oom moet verhuizen, hoeveel ik ook van hem houd. In de week na ons gesprek ben ik een dag in het vertrouwde huis aan de Beukenlaan, waar alles nog precies zo is als toen tante Irma nog leefde. Ik verzamel de spullen waaraan oom het meest gehecht is. In ooms nieuwe kamer zoek ik een plekje voor een paar stoelen, een kastje, een rij boeken, de televisie, een paar schilderijen en wat serviesgoed. Over het bureau heb ik zitten dubben. Het hoort bij oom Dolf, maar het zou de helft van de kamer in beslag nemen. Ik moet het in het oude huis achterlaten.

Naar binnen gekeerd
De eerste weken bezoek ik mijn oom extra vaak. Het valt hem niet mee. “Was ik maar niet gevallen”, zegt hij, “dan had ik het misschien nog zelf gekund.” En: “Als tante was blijven leven, hadden we voor elkaar kunnen zorgen.” De gedachte dat hij hier zijn verdere leven moet blijven, benauwt hem. Zijn afhankelijkheid staat hem tegen. Ik merk dat hij zich naar binnen keert en zich zo min mogelijk met zijn nieuwe omgeving bemoeit. Hij is stilgevallen, als een rivier die niet meer weet hoe hij moet stromen.
En juist dat vind ik zo moeilijk om aan te zien. Zo ken ik hem niet. Het voelt oneerlijk dat dit oom Dolf overkomt. Zijn leven lang heeft hij voor iedereen klaargestaan. Als mensen iets overkwam, leed hij mee. Met mij heeft hij meegeleefd sinds ik heel klein was. Hij was belangstellend en behulpzaam. Over zijn eigen zorgen sprak hij zelden. Dat tante Irma en hij geen kinderen kregen, droeg hij als een groot stil verdriet met zich mee. Hij trok zich terug achter zijn bureau en omringde zich met boeken. Dat hij daardoor zelf kon publiceren was geen troost; het was een manier om het gemis niet steeds te voelen. Drie jaar geleden bleek Irma kanker te hebben. Er was niet veel meer tegen te doen. Ze steunden elkaar en hadden nog een goede intense tijd samen, tot tante in haar slaap overleed. Hij wachtte tot de volgende ochtend met het bellen van de dokter. Zo kon hij nog even uitstellen dat ze uit elkaar zouden moeten. Ik doe mijn best om oom Dolf weer het leven in te trekken. Ik stuur kaartjes met mooie teksten, soms ook bijbelteksten, omdat ik weet dat hij daar vroeger veel aan had. Ik bak een appeltaartje en we eten ervan terwijl het nog warm is. Ik neem een boek mee waaruit ik hem voorlees, in de hoop het gesprek wat diepgang te geven, zoals we dat gewend waren. Ik maak kleine wandelingen met oom in de rolstoel en ik breng hem naar de kapper van het huis om na afloop een kop koffie met hem te drinken in het restaurant. Ergens voel ik ook wel dat ik mezelf forceer, maar ik kan oom daar toch niet laten verkommeren? Met lege handen toezien kan ik niet, het is me te pijnlijk. Steeds als ik moe dreig te worden, schakel ik naar een hogere versnelling, puur op wilskracht. Het duurt even, maar uiteindelijk moet ik toch onder ogen zien hoe ik bezig ben. En dan voel ik ook, dat ik zo niet door kan gaan. Het is me te veel. Heel voorzichtig durf ik aan mezelf toe te geven dat ik oom Dolf niet kan redden. Ik neem wat meer afstand. Hij moet zijn eigen weg vinden.

Huizen bouwen
Het is bijna niet te geloven, maar vanaf het moment dat ik oom meer ga loslaten komt hij heel langzaam weer in beweging. Helemaal in het begin heb ik oom al gewezen op de kerkdiensten die in het huis worden gehouden, in de zaal beneden. Hij is gegaan, vanaf de eerste zondag dat hij er woonde, dat weet ik. Hij begon er zelf nooit over. En als ik ernaar vroeg, bleef hij vaag. Ik benadrukte dan maar dat ook de regelmaat van het gaan belangrijk zou kunnen zijn.
Maar na vorige zondag is het anders. Ik krijg al snel zijn weergave van de preektekst te horen: “Bouw huizen en ga daarin wonen, leg tuinen aan en leid een vruchtbaar leven”, zegt de profeet Jeremia tegen de mensen die in ballingschap zijn gevoerd, weg uit hun eigen land. “Geloof de valse profeten niet, die tegen jullie zeggen dat je je koffers niet hoeft uit te pakken, omdat je wel gauw weer terug zult kunnen”, zegt de profeet. “Zij spiegelen de situatie mooier voor dan hij is. Bouw een leven hier op, dat is voor je omgeving en voor jezelf het allerbeste.”
De woorden van Jeremia blijven oom bezig houden. Iets in hem durft in de spiegel te kijken. “Dit gaat over mij”, zegt hij als ik tegenover hem zit op zijn kamer, “en over al die andere mensen die ergens zijn waar ze niet willen zijn. Ik ben heus niet de eerste of de enige. Al wil ik dit niet, dit is nu mijn leven. Ik wil er niet langer voor wegvluchten.” Hij kijkt me recht in de ogen. Ik word overspoeld door respect voor hem en weet niet wat ik moet zeggen. Ik pak zijn hand en knijp er zachtjes in. De tranen staan in zijn ogen. “Deze tekst heeft mij veranderd”, zegt hij. “Hij bevat een diepe waarheid, dat voel ik.”
Gaandeweg komt oom Dolf tot zichzelf. Hij kan weer om zich heen kijken. Nu merkt hij dat zijn kamer nog steeds de sfeer ademt die hij en Irma om zich heen verspreidden. Hij kan in zijn eigen donkerbruine stoel zitten en uit een bekend kopje drinken. Aan de muur hangen schilderijen die hij ooit gemaakt heeft en op zijn nachtkastje staat de kandelaar die nog van haar ouders geweest is. Op de kleine kast staan foto's van hen beiden.

Tegenwicht vinden
's Morgens wordt hij gewekt. Een verzorger noemt zijn naam, geeft hem zijn medicijnen en ontbijt en helpt hem onder de douche. En als hij weer vermoeid in zijn stoel zit, brengt iemand hem een kopje koffie. Hij is dankbaar. Hij kan de hulp van anderen aannemen en komt tot rust. Hij maakt zo af en toe een grapje. En hij vraagt hoe het gaat met de mensen die hem komen helpen. Ze komen graag bij hem. Hij krijgt vaak zomaar een aai over zijn kalende hoofd of een hartelijke knuffel. Ze bedanken hem als hij naar hun verhaal heeft geluisterd. Hij leeft op. Hij kan het nog: met mensen iets waardevols delen, anderen liefhebben, luisteren, geven en ontvangen.
Hij kijkt uit zijn raam. Hij heeft weer oog voor de natuur, net als vroeger: het licht van de zon op de bomen, de dauwdruppels op het gras, de eerste sneeuwklokjes en de kippen van de buren, die scharrelen in hun hok. Soms maken ze ruzie. “Net mensen”, zei hij laatst.
Hij heeft me de woorden van Jeremia voorgelezen uit zijn bijbel. “God zal zich laten vinden”, zegt de profeet, “ook op een vreemde plek, ook als je berooid en ontworteld bent.” Ik denk dat oom Dolf daar iets van begint te ervaren, al zal hij het misschien niet zo benoemen. Natuurlijk zijn er nog steeds momenten waarop het leven hem zwaar valt. Maar hij gaat het aan. En hij vindt tegenwicht.
Elke ochtend leest hij een stukje uit een bijbels dagboek. Het brengt hem bij zichzelf, bij hoe het nu met hem is. Het voedt hem, geeft hem moed voor de dag die komt. En vanuit die basis is hij gericht op zijn omgeving. Ik weet dat hij dagelijks bidt, voor ons, de mensen om hem heen, maar ook voor het grotere leed. Ik ben onder de indruk van wat zich in hem heeft voltrokken. Hij hoeft zich er niet meer toe te zetten om te leven. Hij is terug in de werkelijkheid, van dag tot dag. Zijn bron is weer gaan stromen. Er is genoeg om uit te putten, ik voel het zelf ook. ●

Paspoort
Elske Cazemier (58), uit Alkmaar, werkt sinds 2001 als geestelijk verzorger bij Amsta Karaad, een organisatie voor mensen met een verstandelijke beperking in Amsterdam. Voor die tijd werkte zij als geestelijk verzorger in diverse ziekenhuizen. Over haar huidige werk schreef zij het boek De ziel ontdekken in contact met mensen met een verstandelijke beperking (Narratio, 2014). De inzending van Elske Cazemier is door de jury van de Volzin-schrijfwedstrijd 2017 bekroond met de derde prijs.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda