FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
maandag, 15 January 2018 09:50

‘Ik ben ongelovig, maar geen atheïst’

Eeuwenlang geloofden we in van alles en nog wat, maar nu niet meer. En wie nog steeds gelooft, die loopt achter, zeggen de atheïsten. Filosoof Arthur Kok vindt hun betoog allerminst overtuigend. Volgens hem schuilt er veel waarheid in religie, ook voor een ongelovige zoals hijzelf is.

Ik ben niet gelovig. Christen, jood, moslim, boeddhist, hindoe: ik ben het nooit geweest en de kans dat ik het ooit zal worden acht ik gering. Het gevoel dat er meer is tussen hemel en aarde is mij vreemd, net als het idee dat er een onsterfelijke ziel bestaat of leven na de dood. Mijn ongelovigheid is geen daad van verzet, noch is zij gebaseerd op twijfel of vertwijfeling. Het is een naakt en simpel feit. Op grond van dit alles ligt het voor de hand om mij een atheïst te noemen. Maar precies daar heb ik moeite mee.

Waandenkbeeld
Als atheïsme niets anders betekent dan ‘niet in God geloven’ of gewoon ongelovig zijn, dan ben ik inderdaad een atheïst. Maar de ‘a’ in atheïsme heeft vaak ook een andere, meer reactionaire lading. Veel atheïsten zijn niet alleen zonder het geloof (in God althans), maar expliciet tegen het geloof. Soms willen ze zelfs vijanden van het geloof zijn. Gelovigen zouden domme, conservatieve en dogmatische mensen zijn. Ondanks mijn ongelovigheid heb ik echter helemaal niets tegen religie. Sterker nog, ik heb enorme waardering voor de gedachtewereld die in de loop van de geschiedenis onder de noemer van religie door de mensheid is voortgebracht. Ik vind de Bijbel een prachtig boek en dan niet alleen de politiek correcte passages daarin. Het zijn prachtige, meeslepende verhalen vol menselijke dramatiek, net als overigens heel veel andere mythen en sagen in andere godsdiensten. Er schuilt veel waarheid in religie, ook voor een ongelovige.
Je hoeft wat mij betreft daarom geen Schleiermacher te heten om – zoals de ondertitel van zijn geschrift Over religie luidt – de behoefte te voelen de religie te verdedigen ‘tegen de ontwikkelden onder haar verachters’. Het feit dat veel atheïsten er nogal simplistische opvattingen over religie op na houden, irriteert niet alleen gelovigen. Je hoeft niet ver te zoeken om dit soort versimpelingen te vinden. Iedereen die in een god gelooft is dom. Godsdiensten hebben niets dan oorlog, wrede onderdrukking en andere ellende teweeg gebracht door de mensen uit elkaar te spelen en tegen elkaar op te zetten. Ik hoor dergelijke beweringen regelmatig. Nu kent religie zeker extremistische en gewelddadige uitingsvormen, waarvan de religieuze voedingsbodem niet onderschat moet worden. Maar om alle religie tot fanatisme te reduceren is overdreven. Bovendien is het pas echt een waanbeeld om te denken dat mensen zonder de tussenkomst van religie wel in harmonie met elkaar zouden samenleven.

Behoefte aan waarheid
Bij al deze atheïstische opvattingen over religie is steeds de grote steen des aanstoots dat de meeste religies een absolute waarheid verkondigen. Dat lijkt me op zich een terechte observatie, maar dat een dergelijk verkondigen van ‘de waarheid’ altijd tot fanatisme en intolerantie voor andersdenkenden leidt is volgens mij niet waar. Waarheid is een belangrijk en waardevol begrip. De definitie van waarheid als een verzameling van feiten voelt voor mij te beperkt. Waarheid heeft ook te maken met zingeving, met de vraag naar de betekenis en naar de grond van ons bestaan. Het zijn de grote filosofische vragen die aan de basis liggen van het verlangen om ons in absolute termen te uitspreken over wie wij zijn, wat de wereld is, waar zij vandaan komt en wat wij moeten doen in ons leven. Zijn die vragen alleen maar het resultaat van een te groot ego? Ik kan dat niet geloven. Eerder zie ik het als een verlangen dat mij motiveert om voorbij het hier en nu te kijken, voorbij het gewone en bekende. En dat gebeurt niet noodzakelijk vanuit een onvermogen om de wereld te accepteren zoals hij is.
Ik herken die behoefte naar waarheid dus, al heb ik geen religieuze opvoeding gehad. Nog toen ik heel jong was, zodra ik kon praten eigenlijk, legde mijn vader uit dat de voorstelling van God als een man met een baard in de hemel een absurd en idioot idee is. Tegen de tijd dat ik naar de kleuterschool ging wist ik allang dat Sinterklaas niet bestond en engeltjes fantasiewezens waren. Bij ons thuis werd niet over godsdienst gesproken, wel over spiritualiteit. Mijn vader, een verklaard tegenstander van de georganiseerde religie, had een boekenkast vol antroposofie, theosofie, dieptepsychologie en newageliteratuur. In mijn tienerjaren was ik gegrepen door de verhalen over onzichtbare energieën en diepere betekenissen van ogenschijnlijk toevallige gebeurtenissen. De wereld als plek van verwondering en een leven dat vol diepere betekenissen zit.
De spirituele boekenkast van mijn vader bood geen praktische leidraad voor het leven. Hoewel hij zich voor astrologie en tarot interesseerde, soms ook om dagelijkse adviezen in te winnen, diende het lezen vooral een intellectueel doel: wie leest, denkt na. Wie veel leest, denkt veel na. Vooral als de verschillende boeken elkaar tegenspreken. Zo werden de verzamelde werken van madam Blavatsky en C.G. Jung aangevuld met boekjes van rabiate religiehaters als Piet Vroon en Bertrand Russell. Dat waren de Dick Swaab en Richard Dawkins van die tijd en de eerste atheïsten waar ik als ongelovige mee kennismaakte. Het allereerste atheïstische boek dat ik ooit las was Bertrand Russells Waarom ik geen christen ben.

Geloof begrijpen
Russell en andere atheïsten grijpen regelmatig terug op Kant, een Duitse filosoof die tegen het einde van de achttiende eeuw wereldberoemd werd met zijn kritische weerleggingen van verschillende godsbewijzen. Kant wordt door de atheïsten bewonderd om deze kritische weerleggingen, maar ook bespot omdat hij in latere geschriften het geloof weer omarmd zou hebben. Wat mij vooral opviel toen ik tijdens mijn studie filosofie die kritische weerleggingen zelf bestudeerde, was dat Kant ze overduidelijk niet schreef uit afkeer tegen het geloof, maar dat hij het geloof juist wilde begrijpen. Zijn argument is niet dat God niet bestaat, maar dat je niet kunt bewijzen dat Hij bestaat. Evenmin kun je bewijzen dat God niet bestaat.
Bij sommige gelovigen zullen Kants harde en zeer overtuigende bedenkingen bij de argumenten voor het bestaan van God tot een geloofscrisis leiden. Wie geleerd heeft dat geloof onwankelbaar moet zijn en twijfel uit den boze is, komt bij Kant van een koude kermis thuis. Dat was ook de grote angst van de kerk in die tijd, die onwankelbaarheid hoog in het vaandel droeg, en de belangrijkste reden dat Kant van overheidswege verboden werd om nog over religie te schrijven. Een verbod waar hij zich gelukkig niet aan gehouden heeft, want in die geschriften wordt eens temeer duidelijk dat Kant ervan overtuigd was dat het geloof de kritische toets van de rede kan doorstaan (weliswaar met enige kleerscheuren). Hij wilde niet afrekenen met het geloof, maar met slechte argumenten.

Eeuwige machtsstrijd
Ik vermoed dan ook dat de meeste atheïsten iets in Kants kritiek op het geloof projecteren dat helemaal niet bij hem te vinden is, maar wel bij andere filosofen zoals Nietzsche. Hoewel Nietzsches verhouding tot religie ambivalenter is dan vaak wordt aangenomen, is zijn opvatting over waarheid ondubbelzinnig: absolute waarheid is een fictie, een zeer omstreden fictie zelfs. Iedere waarheidsclaim vindt plaats binnen de context van een eeuwige machtsstrijd. Waarheidsverkondiging is een poging om de ander te overheersen. Volgens Nietzsche is dat niet goed of slecht, het is slechts een van de vele perspectieven waarmee we proberen onszelf in de wereld te handhaven. De waarheidskritiek van Nietzsche heeft in de twintigste eeuw school gemaakt, waarbij ‘methodisch atheïsme’ (een term van Heidegger) als de juiste filosofische basishouding gepredikt wordt: we mogen vooral niet denken dat we boven ons eindige bestaan kunnen uitstijgen. Eindelijk moeten we ons realiseren dat we nooit tot de ware aard van de dingen zullen doordringen.

Niet met lege handen
Dit soort denken, dat ik vanuit de filosofie ken als ‘het einde van de metafysica’, ligt volgens mij ook aan de basis van hedendaags atheïsme. Spreken over ‘het absolute’ is onacceptabel geworden. De suggestie is daarbij dat de geschiedenis een eindpunt bereikt heeft. Eeuwenlang geloofden we in van alles en nog wat, maar nu niet meer. En wie nog steeds gelooft, die loopt achter. Maar is dat niet een vergissing? Het diepe besef van het niet-weten is helemaal niet zo recent. Socrates beriep zich er al op en het wordt sindsdien door alle grote denkers erkend, van Augustinus tot Hegel. Het inzicht dat we niet alles om ons heen kunnen begrijpen en dat we niets ooit helemaal zullen begrijpen, klinkt ook niet als een einde maar eerder als een begin. Het moet ons er daarom ook niet van weerhouden om verder te denken. Het punt is namelijk niet dat we sommige dingen begrijpen en andere niet. Waar het om gaat is dat wie begrijpt dat de wereld onbegrijpelijk is, toch iets heeft begrepen. We staan dus niet met lege handen.
Dat het begrijpen van de onbegrijpelijkheid iets positiefs is zal niet voor iedereen voldoende zijn. Religies hebben ongetwijfeld veel meer te bieden dan dat. Maar voor mij is het waardevol, omdat het laat zien dat het ontkennen van absolute waarheid op geen enkele manier minder vooringenomen is dan het verkondigen ervan. Wie zegt dat er geen absolute waarheid bestaat, meent tenslotte wel dat die uitspraak absoluut waar is. Dat het scepticisme van de atheïst niet het laatste woord heeft, is daarom niet alleen voor een gelovige overtuigend, maar ook voor mij als ongelovige rationeel volkomen inzichtelijk. ●

Paspoort 
Arthur Kok (36) werd geboren in een klein dorpje in Zuidoost-Drenthe, groeide op in het Brabantse Dongen en studeerde filosofie in Tilburg en Berlijn. In Tilburg, intussen ook zijn woonplaats, promoveerde hij in 2012 tot doctor in de wijsbegeerte. Als systematisch filosoof is hij gespecialiseerd in het werk van Immanuel Kant (1724-1804) en Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831). In zijn onderzoek en publicaties verbindt Kok de inzichten van deze filosofen met actuele kwesties als mensenrechten, democratie en de multiculturele samenleving.
Naast zijn werk als filosoof is Kok manager voor celliste en performer Jacqueline Hamelink en haar artistieke onderneming Sounding Bodies.
De inzending van Arthur Kok is door de jury van de Volzin-schrijfwedstrijd 2017 bekroond met de tweede prijs.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda