FacebookTwitterLinkedIn
woensdag, 29 November 2017 10:48

Romantiek dweept met de dood

Kolo Moser: Tristan en Isolde, ca. 1915 Kolo Moser: Tristan en Isolde, ca. 1915 Tekst: Eric Corsius

De romantiek omhelsde de engel des doods als vriend en bevrijder. De romantische fascinatie met de dood steekt tot op vandaag in onze cultuur de kop op. Eric Corsius wijst op de bedenkelijke kanten: “Het dwepen met de dood leidde ook tot een verheerlijking van het verleden en het overgeleverde, tot een gedweep met de eigen stam en de eigen bloedlijn. Daarmee verbonden is een afkeer van en een haat jegens het vreemde, vooral als dat vreemde ook nog eens optimistisch en toekomstgericht was.”

November is een niemandsland in de tijd. Nadat oktober zich heeft getooid in gouden herfstkleuren en voordat de feestelijke decembermaand zich hult in warme tinten rood, gaat november gekleed in het grijs. Leisteen-grauwe luchten, af en toe doorbroken door een waterig zonnetje, overkoepelen het vlakke land van Nederland en Vlaanderen. Begin november geven de chrysanten nog wat kleur aan de begraafplaatsen. Binnenshuis zoeken we een veilig heenkomen bij fonkelende wijnen en robijnkleurige herfstbieren. Maar de nevel en de schemering regeren. Is oktober de maand waarin we nagenieten van de zomer en is december de maand waarin we een voorschot nemen op Kerstmis, dan is november de maand van de melancholie en de berusting. Geen betere maand had men in de verschillende christelijke tradities kunnen uitzoeken voor de herdenking van de doden.

Bitterzoete werken
In november tref ik mezelf vaker dan anders aan op historische begraafplaatsen, slenterend tussen de bemoste sculpturen en kruisen die staan op de ingeklonken graven uit de negentiende eeuw. Bij november passen ze uitstekend, deze typische romantische kunstwerken, die de dood weergeven in zijn onverbiddelijkheid en tegelijk voorstellen in de verleidelijke gestalte van engelen des doods en allegorische vrouwenfiguren. De romantiek – en daarbinnen met name de laatromantiek en de kunst van het ‘fin de siècle’ rond 1900 – is in zekere zin de novembermaand van de kunstgeschiedenis.
Dat blijkt niet alleen uit de grafkunst. Schrijvers, schilders en toonkunstenaars gingen zich in de negentiende eeuw te buiten aan bitterzoete werken, waarin de dood en de liefde hand in hand gingen. Personages van romans en opera’s gaven zich gewillig over aan het uitzichtloze gevecht met de dood. Er werd in verhalen en toneelstukken veelvuldig en te jong gestorven aan tuberculose en minnaars arriveerden geregeld te laat aan het sterfbed van hun geliefde. De dood werd ervaren als een vriend en bevrijder, die de lijdende mens wegvoerde uit het aardse tranendal. Deze dubbelzinnige doodscultus van de romantiek vindt haar iconische samenvatting in het uit 1865 daterende muziekdrama Tristan en Isolde van Richard Wagner (1813-1883). De dood is hier enerzijds een uitweg uit een leven dat wordt beheerst door strijd, afstand en tegenstellingen en anderzijds een toegangspoort tot erotische en mystieke eenwording. Niet alleen de kunst was overigens besmet met dit ‘levensgevoel’. Zelfs de katholieke vroomheid van deze tijd, die een voorkeur aan de dag legde voor in hun ziekbed wegkwijnende jonge kloosterzusters, zwolg in deze doodscultus.
Op de grens van de negentiende en twintigste eeuw, het punt waarop de romantiek als een overrijpe en gistende vrucht op uitbarsten stond, vatte de Duitse schrijver Thomas Mann (1875-1955) de geest van de tijd nog één keer samen. Hij deed dit in zijn debuutroman Buddenbrooks (1901). De ondertitel – Verval van een familie – verwees in niet mis te verstane bewoordingen naar de decadente sfeer van de laatromantiek. Inderdaad zijn wij in het boek getuige van de deprimerende geschiedenis van een geslacht, dat generatie op generatie steeds minder in staat is om te overleven in de opkomende moderne tijd en in toenemende mate flirt met de dood. Thomas Buddenbrook is een aanhanger van de filosoof Arthur Schopenhauer, de grote inspirator van Wagner, die het eeuwige Niets zag als de oceaan waarin alle levensstromen zalig samenvloeien. De jongste telg, Hanno, dweept op zijn beurt met Wagners Tristan en Isolde. Hij trekt in het boek uiteindelijk letterlijk en figuurlijk een streep onder de geschiedenis van het ooit zo succesvolle handelsgeslacht. Als hij in de familiekroniek een dikke lijn trekt onder zijn eigen naam, is dat een onbewuste voorspelling van zijn eigen vroege dood – en misschien wel een bewuste uiting van het verlangen daarnaar. Hanno zal de verleiding niet kunnen weerstaan. Als hij tyfus krijgt zal hij de weg naar het leven niet meer terugvinden. De verlokking van de dood is te sterk.

Rottende vrucht
Zoals gezegd was de laatromantiek te vergelijken met een rottende vrucht, die een weeïg parfum verbreidt en op ontploffen staat. In de kunst en de mentaliteit zou deze uitbarsting ook plaatsvinden. De decadente, zwaarmoedige en op de rand van de kitsch balancerende kunst zou na 1900 omslaan in de jeugdige overmoed, frisheid en durf van de moderne kunst en muziek. Schilders en componisten die aanvankelijk in een herkenbare taal hadden gewerkt, gingen grenzen verkennen en verleggen. Ook als ze in hun uitdrukkingsvormen relatief traditioneel bleven, legden ze in elk geval wel een ander levensgevoel aan de dag. De verlokking van de dood werd steeds stelliger afgewezen.
Dat laatste was bijvoorbeeld het geval bij Gustav Mahler (1860-1911), die ten onrechte model stond voor de hoofdpersoon in Thomas Manns Dood in Venetië en in die rol bezwijkt aan de dodelijke verleidingskunsten van de schoonheid, belichaamd in de perfect gebouwde jongen Tadzio. Gustav Mahler componeerde in de stijl van Wagner, maar vond een volstrekt eigen weg, waar het zijn levensinstelling betrof. De bedwelmende werking van de dood ervoer hij niet. Mahler barstte van levenslust en scheppingskracht. In dat laatste werd hij gehinderd door het antisemitisme, dat nota bene in zijn grote voorbeeld Wagner een voorspreker had gevonden. Mahler liet zich echter niet klein krijgen, noch door degenen die hem dwarsboomden en uitsloten, noch door bittere ervaringen met de dood in zijn eigen leven en gezin. De triomf over de sterfelijkheid gaf hij op schitterende wijze gestalte in zijn Tweede Symfonie (1894), de Opstandingssymfonie genoemd. Hierin wordt de overwinning op dood en uitsluiting op euforische manier bezongen.
Halverwege deze symfonie treden op een gegeven moment, in het door de alt gezongen lied Urlicht, duistere engelen op. Het zijn echter geen doodsengelen, maar grensbewakers. Ze belemmeren de mens op zijn weg naar een betere toekomst. De dichter en componist geven zich echter niet gewillig over aan de nukken van de engelen – zoals hun romantische voorgangers dat hadden gedaan bij de engel des doods. Ze laten zich niet aan de kant schuiven of met een kluitje in het riet sturen, doch banen zich een weg. Als in een protestsong zingt de alt: ‘Nee! Ik liet me niet afwijzen!’ Hier spreekt de componist en dirigent Mahler zelf, die zich in zijn carrière niet liet frustreren. Helaas zou hij het gevecht met de dood wel verliezen. Hij zou een van zijn kinderen moeten prijsgeven en zelf veel te vroeg sterven aan een hartkwaal. Hij liet wel een indrukwekkend werk na, dat geen moment dweept met de dood, maar getuigt van geloof in en liefde voor het leven. Mahler loodste de romantiek de aanvankelijk nog optimistische twintigste eeuw binnen.

Optimistische dromen
Ook bij de reeds besproken Thomas Mann zien we een ontwikkeling van de met de dood koketterende romantiek naar een levensbeamende, moderne houding. In de tijd van Buddenbrooks stond hij nog met twee benen in de ziekelijke, bedompte sfeer van de Wagnertijd. Hij moest echter steeds meer ervaren, hoe onvruchtbaar en schadelijk het was, om je te laten bedwelmen door deze sfeer. Het schaadde zijn eigen mentale gezondheid, maar legde ook een zware druk op de relaties met anderen. Dat kwam doordat de doodscultus van de romantiek een zeer kwalijke keerzijde had, namelijk een uiterst conservatieve levens- en maatschappijvisie. Het dwepen met de dood leidde ook tot een verheerlijking van het verleden en het overgeleverde, tot een gedweep met de eigen stam en de eigen bloedlijn. Daarmee verbonden was een afkeer van en een haat jegens het vreemde, vooral als dat vreemde ook nog eens optimistisch en toekomstgericht was. De Jood belichaamde dit vreemde. De romantische lucht die Mann inademde was anti-kosmopolitisch, anti-Europees en antisemitisch. Toen dit feit in de Eerste Wereldoorlog en het interbellum fatale gevolgen had – maatschappelijk maar ook in de privésfeer van Mann, waar familieleden tegenover elkaar kwamen te staan – begon Mann met een ommekeer.
Wat voor Mahler de Tweede Symfonie was, was voor Mann de roman De Toverberg (1924). In deze ‘Bildungsroman’ beschrijft hij de innerlijke weg van een leergierige jongeman. Op die weg staat hij onder invloed van leraren met tegengestelde levensvisies die hem proberen over te halen tot hun standpunt. De jonge man, Hans Castorp, komt uiteindelijk op eigen kracht tot inzicht. Tijdens een sneeuwstorm verdwaalt hij, raakt hij onderkoeld en belandt hij in een delirium. Tijdens dat delirium komt niet de engel des doods naar hem toe, die de jonge Hanno Buddenbrook had ontvoerd, doch Morfeus, de god die de slaper optimistische dromen geeft. Hans leert ‘ja’ te zeggen tegen het leven en ‘nee’ tegen de verleidingen van de dood, al is de onderhuidse neiging daartoe nog voelbaar: “Ik wil in mijn hart weliswaar trouw zijn aan de dood, maar mij zelf steeds helder voor ogen houden dat trouw aan de dood en aan het voorbije slechts kwaadaardigheid is en duistere wellust en mensvijandigheid, zodra ze ons denken en handelen bepaalt. De mens mag omwille van de goedheid en de liefde de dood geen macht gunnen over zijn gedachte.” Thomas Mann zette met deze klassiek geworden woorden een eerste stap op weg uit de dodelijke sfeer van de romantiek en betrad de avontuurlijke twintigste eeuw. In zijn werken zouden menselijkheid, ethiek en een positieve humor een steeds belangrijkere rol gaan spelen.

Dreigend nihilisme
De romantiek, met haar fascinatie door de dood en het voorbije, is meer dan een kunstperiode uit het verleden. Het is een mentaliteit die altijd weer de kop opsteekt in onze cultuur. Er zijn tot op heden kunstenaars die zich laten meevoeren door de cultus van de dood en een Schopenhauerachtige mystiek. Ook in de populaire cultuur vinden we haar invloeden terug, bijvoorbeeld in de fantasy- en gothic cult. Zolang de duistere romantiek deze speelse vormen aanneemt en aan boord blijft van het schip van de kunst en het amusement, is ze uiteraard relatief onschuldig. Het wordt echter riskant, als ze het levensgevoel van mensen en hun handelen gaat beheersen. Dan liggen nihilisme en cynisme op de loer. In sommige duistere politieke, religieuze en gewelddadige bewegingen is dit het geval. Dan is het goed om ons de woorden van Hans Castorp voor de geest te houden – of gewoon het bijbelse geloof, dat de dood niet als vriend ziet, maar als vijand, van wie we overigens uiteindelijk niets te duchten hebben. Dood, waar is je betovering? Dood, waar is je prikkel? 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda