FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 28 September 2017 09:10

De geur van het slachthuis

De abattoirs kijken wel uit om hun deuren open te zetten. De abattoirs kijken wel uit om hun deuren open te zetten. Tekst: Bert van der Kruk Beeld: Hollandse Hoogte

Twee jaar geleden, onder het koffiedrinken, zei ik tegen een paar huisgenoten: “Ik stop ermee, ik eet geen vlees meer. Met ingang van nu.” Het was geen heldhaftig statement, het was gewoon een mededeling. Nou vooruit, doe maar. Mijn vrouw vroeg nog wel of ik die vleesgewoonte niet beter langzaam kon afbouwen, maar daar had ik geen zin in. Alles of niks, is een houding die beter bij me past. Dat is wel zo helder.
In de argumenten van overtuigde vegetariërs had ik me nooit zo verdiept; het was eerder een gevoel dat me de vleesloze kant op dreef. Toen mijn dochter een jaar of twaalf was, liet zij ook opeens het vlees staan, zoals meisjes van die leeftijd dat op grond van een soort intuïtieve, heilige verontwaardiging kunnen. Het is zielig om beesten dood te maken en ze op te eten, was haar ijzersterke motivatie. De vegetariërs hebben gelijk, was steevast mijn reactie aan tafel. Maar voor mijzelf gaf ik daar geen gevolg aan.
Toen ze een jaar of zeventien was, hield ze overigens weer op met het vleesloze bestaan. Aan tafel bij anderen bleek het steeds lastiger om vol te houden. Een vader van een van haar vriendinnen bestond het zelfs om de stukjes vlees, die zij uit de macaroni had gehaald, van de rand van haar bord te halen en zelf op te eten. Na de komst van haar eerste officiële vriendje was het vegetarisch tijdperk in ons huis voorbij.

Stinkende wereld
Op ongeveer een kilometer van ons huis staat een kippenslachterij. Bij nat weer en wind uit zuidoostelijke richting waait er een weeïge geur door de wijk. Als je eenmaal weet dat die geur uit de kippenfabriek komt en hem steeds sneller herkent, gaat die lucht je tegenstaan, steeds meer. Je herkent er rottend vlees in, misschien wel iets van de dood. En als je weet wat er in die fabriek gebeurt, koppel je die geur aan het beeld van ontzielde, stervende kippen.
Dankzij mijn oudste zoon kreeg ik een inkijkje in die wereld. Hij deed heel kort vakantiewerk in de slachterij en vertelde waaruit dat bestond. Hij moest kippen prikken, oftewel kaalgeplukte, onthoofde kippen met hun kont op een spies prikken. Aan de lopende band. Hij haalde de karkassen uit een grote bak, die op gezette tijden “door een soort shovel werd vol gekieperd”. Het was geestdodend, vernederend werk in een stinkende wereld. Hij zou er drie weken werken, maar meldde zich na de eerste middag niet meer. Hij ging liever aan de slag in een wasserij.
De geur van de slachterij gaf misschien wel de doorslag, al is soms moeilijk te achterhalen waarom je precies doet wat je doet. Ik was al nooit een erg grote vleeseter en vond sommige soorten vlees gewoon vies: de speklapjes van vroeger, de rollade met kerst. Ik walgde van gekluif aan kippenbot of sparerib. Na het varken ging de kip in de ban.
De achteloze, oneerbiedige en mechanische manier waarop we met de beesten omspringen, tijdens hun leven én hun sterven, voelde steeds ongemakkelijker. Voeg daarbij de wetenschap dat het met oog op de toekomst van de wereld beter is dat we met z’n allen minder vlees eten en de stap om vervolgens ook de koe in de persoonlijke ban te doen, was gezet. Erg snel ging dat proces trouwens niet, het duurde al met al gauw een half leven.

Religieus vaarwater
Van een bekering kun je dus niet echt spreken, hoewel die vergelijking in de gesprekken over zo’n stap al gauw wordt gemaakt. Op het moment dat je zegt geen vlees meer te eten, kom je meteen in een soort moreel of zelfs religieus vaarwater terecht. Je wordt ter verantwoording geroepen, of de ander gaat zichzelf verantwoorden, misschien wel verdedigen. “O, dus jij bent vegetariër?” “Nou, nee, zo overtuigd ben ik nou ook weer niet. Ik eet geen vlees.”
Alsof ik bang was ineens in een kamp terecht te komen, een collectief, terwijl ik gewoon als individu had besloten het vlees te laten staan. Ik wenste helemaal niet aangesproken te worden op de kenmerken van die groep. Alsof ik opeens ja moest zeggen tegen de hele apostolische geloofsbelijdenis en me met huid en haar moest uitleveren aan een kerkgenootschap, terwijl ik alleen maar geraakt was door de woorden van Jezus. Zoiets.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda