FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
dinsdag, 12 September 2017 13:31

De denker en de dode God

De denker en de dode God Tekst: Simone Bassie & Michel Dijkstra Beeld: Hollandse Hoogte

Geen groter wijsgerig probleem dan de dood van God, meent filosoof Ger Groot. Sindsdien zijn we gedoemd “onzeker en onwetend ten aanzien van onze eigen inborst” te blijven. Dit knagende bewustzijn zet mensen aan om steeds weer meester en vormgever van zichzelf te worden. Ger Groot pleit voor rituelen, die volgens hem ook zonder geloof kunnen bestaan. Maar klopt die stelling wel?

Bestaat nog god, kleine sarcofaag
van het geloof, even leeg
als de dorische tempels van Paestum:
hun zuilen een schuilplaats voor andere vogels
dan goden – als ik naar hem vraag?

Kleine mummie van steen
zonder hart, tabernakel,
zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je
met jouw lichaam ons landschap
als bodem voor hemel? ik vraag maar.

Stille klankkast voor buiten, voor grutto's
in juni, het loeiende melkvee bij 't hek –
zo gesloten, een avond, ik zit in het gras
tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:
dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.

Het gedicht Kerkje van Fransum van de Groninger dichter C.O. Jellema (1936-2003) illustreert een belangrijk thema uit de moderne westerse filosofie: de dood van God. Friedrich Nietzsche laat deze woorden voor het eerst vallen in zijn boek De vrolijke wetenschap uit 1882: “God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood! Hoe zullen wij ons troosten, wij moordenaars?” Deze romantisch angehauchte dramatiek is in Jellema’s gedicht over het verlaten kerkje in Fransum ingeruild voor het pregnante beeld van de lege kerk en de moderne mens die steeds over deze open plek blijft nadenken. Meer dan een eeuw na Nietzsche is hij nog altijd in gedachten verzonken over de consequenties van Gods afwezigheid.

Zonder ankerpunt
Precies deze worsteling met de dood van het Opperwezen vormt de rode draad in het nieuwste boek van filosoof Ger Groot met de veelzeggende titel De geest uit de fles. Hoe de moderne mens werd wie hij is. Volgens Groot is de geschiedenis van de moderne wijsbegeerte “één aanhoudende poging in het reine te komen met dit verlies van een goddelijk ankerpunt. De betekenis daarvan gaat veel verder dan de religieuze vraag of iemand in God gelooft.” Deze regels tonen Groots genuanceerde visie op religie in een notendop.
Hoewel de filosoof atheïst is, schuift hij het fenomeen religieus geloof niet zomaar terzijde. Groot stelt dat de zogenaamde ‘architectuur van het denken’ radicaal veranderd is door de reflectie op de dood van God. De Schepper viel namelijk samen met de absolute waarheid en werkelijkheid, maar de mens kan zich die rol nooit aanmeten: “Wanneer de mens in de moderne tijd ‘God wordt’ of minstens ‘voor God speelt’, zoals soms gezegd wordt, moet hij zich tegelijk rekenschap afleggen van de eindigheid of beperkingen die voor hem nu eenmaal wezenlijk zijn.” Op die manier heeft het verdwijnen van het goddelijke fundament van de werkelijkheid de moderne mens gemaakt tot wie hij is.
Ger Groot illustreert bovenstaande aan de hand van de politieke geschiedenis van het moderne Europa en dan met name van de Franse Revolutie. Tot 1789 wortelde het politieke bestel in de theocratische orde. De vorst ontving zijn legitimiteit direct van God, wat werd gesymboliseerd door de liturgische zalving. Op die manier was de vorst een plaatsvervanger en woordvoerder van God. Deze legitimiteit maakte hem bovendien tot een goed en wijs persoon. Met de Franse Revolutie veranderde het wereldbeeld echter: God stond niet meer aan de top van de machtsstructuur, maar het fundament van macht werd het volk zelf. Groot: “Zo heeft in het politieke systeem een coherent systeem plaats moeten maken voor het tamelijk onlogische, provisorische en van toeval en tast afhankelijke systeem dat wij ‘parlementaire democratie’ noemen. Daarin is elk absoluut richtpunt verloren gegaan.” En wat opgaat voor de politieke geschiedenis geldt ook voor kennis en wetenschap, kunst en rechtspraak.
Dankzij het Verlichtingsdenken, de Franse Revolutie en andere vormende factoren van de moderne tijd kwam de mens centraal te staan in alle gebieden van het leven. Zodoende verdrong hij God van de positie die Hij zo lang had ingenomen. Paradoxaal genoeg heeft het christendom zelf deze afsterving van het geloof voorbereid. Het protestantisme brengt door zijn nadruk op de intimiteit van de gelovige met God namelijk het instituut kerk ongewild in diskrediet. Zo komt de absolute, uit de middeleeuwen stammende macht van de religie over de mens in gevaar: “Juist in haar toespitsing op de individuele mens bereidde de Reformatie in veel opzichten het moderne perspectief voor, waarin God steeds minder en de mens steeds meer de spil en grondslag van de wereld werd.”
Of je deze ontwikkeling nu positief of negatief beoordeelt, maakt volgens Groot niet zoveel uit. Tenminste, als je de filosofische problematiek goed tot je laat doordringen: “Zolang de moderne droom van de Godgeworden mens duurt, ontkomt de filosofie niet een de contradictie tussen de humanistische pretentie in hem een nieuwe grondslag van alles te hebben gevonden en het menselijk onvermogen daaraan te beantwoorden.”

Kracht van ritueel
Op het eerste gezicht lijkt Groot zich met deze analyse in De geest uit de fles puur negatief uit te spreken over de rol van religie in de moderne tijd. In een eerder werk, de met Theo de Boer gepubliceerde dialoog Religie zonder god (2013) schetst hij echter een ander perspectief op religieus geloof. Godsdienst laat namelijk “een opening in de werkelijkheid zien die het denken niet kan dichten.” Dit verklaart volgens hem het feit dat religie op een onverklaarbare wijze hardnekkig blijft voortbestaan, zelfs in het hart van een moderne wereld “die eigenlijk geen kant met haar op kan”.
Deze kracht van het geloof situeert Groot in het ritueel. Strikt genomen heb je hier God zelfs niet voor nodig, omdat een ritueel zijn eigen zin creëert: het hoeft niet naar iets buiten zichzelf te verwijzen. De filosoof stelt bovendien dat het bestaan van een instantie waarnaar het ritueel verwijst geenszins duidelijk is. Maar je kunt moeilijk ontkennen dat er rituelen zijn: “In het ritueel bestaat de godsdienst, als een zichtbaar en onomstotelijk werkelijk gegeven. Wát men over goden, hemel en onsterfelijkheid ook denken mag, zelfs de grootste scepticus zal toegeven dat een ritueel dat voltrokken wordt daadwerkelijk plaatsvindt.” Groot noemt het belang van het ritueel dan ook ‘de kracht van het gebaar’. In een verhaal van de Spaanse schrijver Miguel de Unamuno over een van zijn geloof gevallen pastoor die desondanks zijn religieuze diensten uit blijft voeren, ziet de filosoof een illustratie van zijn these. Voor de dorpelingen die de pastoor onder zijn hoede heeft, is religie in de eerste plaats een praktijk. Het ritueel wordt blijkbaar niet minder krachtig als niemand meer in God gelooft.

Ontmoeting met de ander
Volgens Groot wijst een plechtige religieuze handeling de mens op het transcendente. Deze transcendentie slaat echter uitdrukkelijk niet op een de zichtbare werkelijkheid overstijgend wezen. Integendeel: met Sartre vult Groot dit begrip juist zeer aards in. Door het bijwonen van een ritueel wordt de mens namelijk geconfronteerd met datgene wat zijn ego of bewustzijn overstijgt, namelijk de wereld of de medemens. Deze ontmoeting met de ander of het andere is precies wat de moderne mens nodig heeft.
De moderniteit kenmerkt zich namelijk niet alleen door een reflectie op het verlies van God als de absolute waarheid, maar ook door de gerichtheid van het subject op zichzelf. Met andere woorden: in de moderne tijd trekt de filosofie zich terug uit de werkelijkheid om zich puur op de inwendigheid van het bewustzijn te richten. Groot: “Als er immers íets is dat dit moderne subject kenmerkt, dan is het wel het feit dat het een zuivere innerlijkheid geworden is.” Ook het goddelijke (“voor zover het bestaat”) is volgens de filosoof als het ware ingeslikt in het innerlijk van de moderne mens. Deze drang tot verinnerlijking leidt enerzijds tot een grotere autonomie van de mens maar heeft ook een keerzijde, namelijk wijsgerige navelstaarderij of het opgesloten zitten in jezelf. Rituelen kunnen de mens echter van dit egocentrisme bevrijden en weer in de wereld plaatsen.
Zo ziet Groot in de moderne tijd een vruchtbare rol voor religie, die weliswaar door hem gereduceerd wordt tot een structuur die z’n zin in zichzelf draagt: de kracht van het ritueel is immers even sterk als God niet bestaat dan als Hij er wél is. De vraag die zich bij deze these opdringt is of Groot niet te veel aan de buitenkant van religie blijft staan. Is religie voor een gemiddelde gelovige inderdaad hoofdzakelijk een praxis en denkt hij nooit na over wie God is en wat zijn verhouding ten opzichte van de Schepper inhoudt? Beschouwt hij God niet als iets dat of iemand die de zichtbare werkelijkheid overstijgt, dus de transcendente instantie die een ritueel als bidden zin geeft? Het is zeer de vraag of een gelovige zichzelf in het betoog van Groot kan herkennen.
In Religie zonder God signaleert de filosoof (overigens zonder heel duidelijk naar empirisch onderzoek te verwijzen) dat het effect en de setting van religieuze handelingen de afgelopen decennia in belang zijn toegenomen. Denk aan het verschijnen van muziekbandjes in de vroeger zo puristische protestantse kerken, waarin men bijvoorbeeld de aanwezigheid van kerststukjes al een discussie waard vond. Groot stelt dat met het toegenomen effectbejag binnen een rituele context de geloofswaarheid zelf aan belang inboet. Religieuzen gaan dus mee in de golf van de moderniteit, die op de innerlijke ervaring van het individu is gericht. In deze observatie ziet Groot een bevestiging van zijn eigen gelijk. Het blijft echter twijfelachtig om de grotere nadruk op het effect en de setting van rituelen te verbinden met een eventuele uitholling van de geloofswaarheid. Tijdens een zeer effectvolle viering als The Passion kan de mens immers des te sterker overtuigd raken van de waarheid van Christus’ lijden, sterven en wederopstanding.

Gevoel van onbehagen
Ger Groot schrijft in het besluit van De geest uit de fles dat de filosofie, “net als haar tweelingzusje de wetenschap, de mens en zijn wereld wil begrijpen en daar zijn altijd onvermijdelijk dromen, visioenen en beloften mee gepaard gegaan.” Kennis en inzicht gaan nu eenmaal gepaard met zulke zaken. Het bijzondere van filosofie is volgens Groot echter dat zij “nooit bij zichzelf blijft stilstaan, altijd op zichzelf vooruitloopt en een toekomst ontwerpt – die zich zelden op die manier waarmaakt.”
Wijsgerig denken wordt dus gekenmerkt door openheid en het kritisch bevragen van eerdere ideeën en vooronderstellingen.
Deze openheid heeft in Groots ogen wellicht een extra wijde dimensie gekregen door de dood van God. Keerzijde van de medaille is dat wij “onzeker en onwetend ten aanzien van onze eigen inborst” blijven. Dit knagende bewustzijn zet de moderne mens aan om steeds weer meester en vormgever van zichzelf te worden, zoals Nietzsche zijn lezers al aanraadde. Tegelijkertijd leidt deze eindeloze reeks van zelfontwerpen zonder richtsnoer of doel tot een gevoel van onbehagen, dat door Freud verwoord werd in de vraag: ‘Wie kan de definitieve uitkomst voorzien?’ Misschien speelt religie in deze uitkomst een grotere rol dan Groot zelf vermoedt, ook gezien het feit dat er op aarde vele malen meer gelovigen dan ongelovigen zijn. Door Freuds verontrustende vraag echter als laatste woorden van zijn analyse van de moderne mens op te nemen, toont Groot echter op elegante wijze zijn eigen openheid als filosoof. ●

Simone Bassie is redactrice en vertaalster. Michel Dijkstra is docent en publicist op het gebied van oosterse filosofie en westers mystiek denken.
Besproken boeken: Ger Groot, De geest uit de fles (Lemniscaat, 360 blz., € 34,50); Theo de Boer & Ger Groot, Religie zonder God. Een dialoog (Sjibollet, 119 blz., € 17,95).

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda