FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 27 July 2017 09:00

Honderd jaar schoolvrede

School met de Bijbel, Randwijk: les in het stemlokaal over de verkiezingen. School met de Bijbel, Randwijk: les in het stemlokaal over de verkiezingen. Tekst: John Exalto Beeld: ANP Foto

De onderwijspacificatie van 1917 geldt wel als een ‘kroonjuweel van de christendemocratie’. Het is een van de mythes die over ‘artikel 23’ rondgaan. De sociaal-liberale premier Cort van der Linden is de eigenlijke vader. De onderwijspacificatie van 1917 is nog steeds een lichtend voorbeeld hoe een land met diversiteit om kan gaan.

Terwijl Lenin in Rusland met geweld de macht greep, werd in Nederland de ‘schoolvrede’ gesloten. De onderwijspacificatie vond plaats op 16 mei 1917, precies tussen de Russische revoluties van februari en oktober in.
Op 8 juni 1916 werden in de Tweede Kamer twee grondwetswijzigingen aangenomen. De eerste wijziging had betrekking op het kiesrecht en betrof de vervanging van het districtenstelsel door evenredige vertegenwoordiging en de invoering van algemeen mannenkiesrecht en passief vrouwenkiesrecht. Daarmee werd het democratisch gehalte van de Nederlandse rechtstaat sterk vergroot. De tweede wijziging ging over het onderwijsstelsel. Het bijzonder, particulier onderwijs werd in financiële zin gelijkberechtigd met het openbare staatsonderwijs. Ook dat betekende een versterking van het democratisch karakter van de Nederlandse rechtstaat. Alle politieke partijen waren het er namelijk over eens dat geld geen belemmering mocht vormen in de keuze van ouders voor openbaar of bijzonder onderwijs. Nadat ook de Eerste Kamer akkoord was met de wijzigingen, werden beide Kamers ontbonden – gebruikelijk bij een grondwetswijziging. Op 16 mei 1917, na nieuwe verkiezingen, werd de nieuwe grondwet met algemene stemmen aanvaard, twee dagen later door de koningin bekrachtigd.

Verlicht protestantisme
Het was een belangrijk moment, maar de onderwijsvrijheid werd niet pas in 1917 ingevoerd. Die bestond al sinds de grondwet van 1848. Iedereen die dat wilde, mocht een eigen school stichten. Maar geld gaf de staat niet en er was trouwens ook niemand die dat verwachtte.
Sinds de Bataafs-Franse tijd uit de jaren rond 1800 was de voormalige Republiek der Nederlanden in een natiestaat veranderd met uniforme wetgeving voor heel het land. Ook voor het onderwijs kwam er een nationale wet. De tekst daarvan en de wijze waarop daar uitvoering aan werd gegeven, droeg duidelijk sporen van een verlicht protestantisme. Vergeleken met wat vroeger de gereformeerde kerk heette, werden de dogmatische lijnen niet scherp getrokken. Aanvankelijk was iedereen tevreden met de wet van 1806, waarin onderwijs in christelijke en maatschappelijke deugden werd voorgeschreven. Dat deugdenonderwijs was uiting van een nieuwe onderwijsideologie: er moest niet alleen kennis worden bijgebracht, maar ook deugd en zedelijkheid. Dat zou namelijk goede en nuttige burgers voor het land opleveren.
Rond 1830 kwam aan deze idylle echter een einde. De katholieken waren ontevreden met het protestantse karakter van de volksschool. Ook het antipapisme van het verlicht protestantisme beviel hen niet. Ze dwongen in 1842 een Koninklijk Besluit af dat leerstellig onderwijs verbood en pastoors de mogelijkheid gaf de schoolboeken te controleren. Zo verdween de Bijbel van school, want pastoors vonden toen nog dat kinderen dat boek niet zonder (katholieke) begeleiding mochten lezen. Aangestoken door dit katholieke offensief, begonnen ook de orthodoxe protestanten uiting te geven aan hun onvrede. Zij vonden juist dat er méér en explicieter leerstellig onderwijs gegeven moest worden. Hun voorman was Guillaume Groen van Prinsterer.

Ongemakkelijke combinatie
Minister Thorbecke probeerde de tegenstellingen te overbruggen door in de grondwet van 1848 vrijheid van onderwijs te introduceren. Iedereen kon nu een ‘bijzondere school’ stichten zonder voorafgaande toestemming van de staat. Hij was dan wel zelf verantwoordelijk voor de financiering en moest ook aan de wettelijke eisen voldoen. De aanhangers van het deugdenonderwijs van 1806 waren daar niet blij mee, want deze particuliere scholen konden zelf de inhoud van hun onderwijs bepalen. Maar de confessionelen, zoals de katholieke en protestantse voorstanders van bijzonder onderwijs genoemd werden, verdedigden 1848. “Het kind behoort niet aan den Staat, maar aan zijnen vader. Wij leven niet in de oude republiek van Sparta of in die van Frankrijk ten tijde van het schrikbewind”, aldus het katholieke Kamerlid J.L.A. Luyben.
Thorbecke was een groot voorstander van zogeheten burgerlijke vrijheden. Hij hoopte dat het particulier initiatief op zo’n schaal tot ontplooiing zou komen dat de staat op termijn haar handen van het onderwijs zou kunnen aftrekken (op een toezichthoudende rol na). Thorbecke’s uitgangspunt kreeg in deze vorm echter geen meerderheid, en daarom werd aan het grondwetsartikel de clausule toegevoegd dat het openbaar onderwijs een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering is, en tevens dat in het gehele land van overheidswege openbaar lager onderwijs wordt gegeven.
Daarmee was het onderwijsartikel een ongemakkelijke combinatie van onderwijsvrijheid enerzijds en overheidszorg voor openbaar onderwijs anderzijds. In die ongemakkelijke combinatie ligt het vervolg van de schoolstrijd opgesloten. Die ongemakkelijkheid vinden we ook terug in de onderwijswet van 1857 waarin het grondwetsartikel nader werd uitgewerkt. Pas na 1857 werden er in toenemende mate bijzondere scholen opgericht. Uit de aarzelende start van het bijzonder onderwijs valt af te leiden dat niemand precies wist welke richting het op zou gaan. Zo bleef Groen van Prinsterer lang hopen op een protestantse staatsschool, en waren de voorstanders van ‘1806’ lang overtuigd dat de openbare school een christelijk karakter zou houden. ‘1857’ benadrukte echter de gelijkheid van religies voor de staat.
De voorstanders van openbaar onderwijs verhoogden in de loop van de negentiende eeuw de kwaliteitseisen voor het onderwijs (beter geoutilleerde schoollokalen met meer licht, lucht en ruimte). Voor het bijzonder onderwijs was dat een probleem, want wie zou dat betalen? Groen van Prinsterer was in het protestantse kamp inmiddels opgevolgd door de populistische leider Abraham Kuyper. Hij organiseerde in 1878 een landelijke handtekeningenactie – een volkspetitionnement – tegen een wetsvoorstel met verhoogde kwaliteitseisen en zonder enige tegemoetkoming aan het bijzonder onderwijs. Meer dan 300.000 protestantse Nederlanders deelden zijn zorg, korte tijd later gesteund door ruim 160.000 katholieke mannen.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda