FacebookTwitterLinkedIn
woensdag, 24 May 2017 09:48

Herman Finkers: 'Gregoriaans is opera voor God'

Uitvoering van Herman Finkers' gregoriaanse mis in Oldenzaal. Uitvoering van Herman Finkers' gregoriaanse mis in Oldenzaal.

Terwijl het gregoriaans vrijwel verdwenen is uit de liturgie, is buiten de kerkmuren de belangstelling ervoor juist gegroeid. Monniken halen met enige regelmaat de hitlijsten.
Ook voor Jacques Janssen en Herman Finkers is gregoriaans kost voor de ziel. Hoe een cultuur- en godsdienstpsycholoog en een cabaretier al zingend doordringen tot het mysterie van het bestaan. “Je moet vindingrijk zijn, dan kun je gregoriaans blijven zingen.”

Gregoriaans mannenzang? Jacques Janssen pakt een Graduale Romanum uit 1770 uit de kast en slaat het open bij het voorwoord. Vaar wel Godvrugtigen Zangers en Zangereffe, staat er. “Tot in de negentiende eeuw zongen ook vrouwen gregoriaans. Maar als gevolg van een puriteinse beweging in de katholieke kerk werden vrouwen voortaan van het koor geweerd. Terwijl ze prachtig gregoriaans kunnen zingen. Gemengde koren trouwens ook, mits de balans van de stemmen goed is.”
Janssen, emeritus hoogleraar cultuur- en godsdienstpsychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, is zó gefascineerd door het gregoriaans dat hij er een boek over kan schrijven – en dat doet hij dan ook. Niet als wetenschapper, maar als liefhebber en vooral als zanger. Van de Nijmeegse Schola Cantorum Karolus Magnus is hij sinds de oprichting in 1988 een bevlogen lid. “Gregoriaans is gebaseerd op een positieve, op Augustinus gebaseerde keuze uit psalmteksten. Daarmee bedoel ik dat verzen waaruit haat en vervloeking spreken, zijn weggelaten. Psalmen gaan over algemeen-menselijke ervaringen. Zo spelen geloof, hoop en liefde in elk mensenleven een rol. Daarom kan het gregoriaans altijd en overal gezongen worden.”

Monniken en parochiekoren
De benaming gregoriaans is ontleend aan Gregorius de Grote, paus van 590 tot 604, die een rol speelde bij de codificatie van de gezangen die destijds bekend waren. Maar de geschiedenis begint feitelijk rond 800, als zich vanuit de joodse synagogale zang diverse christelijke liturgische tradities ontwikkelen. “De oorsprong is een delta, een waaier van regionale verschillen. Sinds het Concilie van Trente heeft de kerk voortdurend gezocht naar een oorspronkelijke eenheid, maar die is er niet omdat men aanvankelijk niet eens noten kon schrijven. De ritmiek werd genoteerd, de melodie niet: die werd uit het hoofd geleerd en mondeling doorgegeven.” Een keerpunt was de uitvinding van de notenbalk door Guido van Arezzo rond het jaar 1000, die het mogelijk maakte de toonhoogte te noteren. “Dit ging echter ten koste van de ritmiek, met statische en zelfs saaie zang tot gevolg. Bovendien kwam destijds de polyfonie op, die men veel interessanter vond. Het gregoriaans raakte in verval.”
De negentiende eeuw bracht een restauratiebeweging op gang. Dom Prosper Guéranger, abt van Solesmes, was daarin een spilfiguur. “Die restauratie heeft te maken met de emancipatie en het zelfbewustzijn van katholieken in West-Europa, en de behoefte aan zang die hieraan uitdrukking gaf. Men herontdekte toen het gregoriaans, omdat het van zichzelf een kracht bezit die altijd indruk maakt.” Het kopiëren en vergelijken van oude handschriften door monniken van Solesmes zorgde voor de nodige controverses, want welke notatie was de meest oorspronkelijke? Dom André Mocquereau bediende zich van de opkomende fotografie om handschriften te vergelijken en een methode te ontwikkelen. Maar het is de semiologie (tekenleer) van Dom Eugène Cardine die de basis vormt van de huidige hedendaagse interpretatie van het gregoriaans, waarvan ook de Schola Karolus Magnus zich bedient. Ook discografisch heeft Solesmes bijgedragen aan de populariteit van het gregoriaans. “Plaatopnamen van de monniken werden razend populair, met name in Nederland. Nergens anders in Europa groeide het gregoriaans uit tot een zo identiteitsbepalend gezang als in ons land. Anders dan in Frankrijk waren het hier niet alleen de kloosters die de dragers waren van de gregoriaanse zang, maar de parochiekoren. Het gregoriaans stond hier lange tijd op een heel hoog niveau.”

Voertuig van tekst
Als kind raakte Jacques Janssen al onder de indruk van de gregoriaanse zang. “Op het kleinseminarie waren dat vooral de vespers. Maar tegen het einde van mijn seminarietijd deed de volkstaal haar intrede in de liturgie. Na de invoering daarvan kon de rituele praktijk in de katholieke kerk me niet meer boeien. De liederen van Oosterhuis, hoe mooi soms ook, kunnen gewoon niet vervangen wat gedurende honderden jaren is ontstaan.” In de parochiekerken verdween de gregoriaanse zang naar de achtergrond, ook in de beleving van Janssen. Tot hij rond zijn veertigste op een rommelmarkt voor een gulden een Liber Usualis kocht en weer aan het luisteren en zingen sloeg. “Het was een spiritueel thuiskomen voor me. Gregoriaans zingen werd wat kerkbezoek vroeger voor mij was. Vooral de verbinding tussen de seizoenen en het kerkelijk jaar raakt me. Dichter bij dat wat ik weet en vermoed omtrent het uiteindelijke, of God, kan ik niet komen.”
De herontdekking van het gregoriaans kwam voor Janssen dus laat, hoewel nog op tijd om het zich eigen te kunnen maken. Maar in de wereldkerk is volgens hem inmiddels vijf over twaalf. “In 2011 heeft een internationale commissie een nieuw graduale uitgegeven, het Graduale Novum. Dat wordt beschouwd als de definitieve versie, maar in werkelijkheid kan het natuurlijk altijd anders, omdat er zoals gezegd geen oerbron bestaat. Maar tegelijk is de gregoriaanse zangtraditie voorgoed verdwenen en ik heb niet de illusie dat die ooit terugkeert. In dat opzicht hecht ik aan iets wat er in feite niet meer is. Het gregoriaans is herontdekt en tegelijk voorgoed verzonken.”
Dat wil niet zeggen dat hiermee alles verloren is. “Wel moeten koren die gregoriaans willen zingen, daarin geweldig investeren. Allereerst moet je het met elkaar over de teksten hebben. Gloria, Credo, Te Deum – mooie oude woorden, maar niemand weet nog wat ze betekenen.” Gregoriaanse zang is vooraleerst tekstexpressie: de melodie is het voertuig van de tekst. Het is volgens Janssen van belang dat de luisteraar die kent. “Helaas sluiten luisteraars die naar onze concerten komen, vaak meteen hun ogen als we beginnen te zingen. Daarom hebben we ooit eens de teksten geprojecteerd, zodat men ze kon volgen. Natuurlijk hoef je niet alles te snappen, maar het is wel interessant om teksten te ontleden en je te verdiepen in de culturele context ervan.”
Janssen verwacht dat het gregoriaans niet zozeer zal voortleven als liturgische praktijk, maar als herinnering en re-enactment, dat wil zeggen als historische reconstructie. “Het is zó goed dat het onvermijdelijk herleeft als iemand er iets mee doet. Je moet vindingrijk zijn, dan kun je gregoriaans blijven zingen. Bij oudere mensen speelt vaak nostalgie een rol; daarom worden we als Schola vaak voor uitvaarten gevraagd, maar dat loopt langzaam af. Op het festival Le Guess Who in Utrecht daarentegen zongen we voor dertigers. Zelden heb ik zulke aandachtige luisteraars meegemaakt. Terwijl herinnering bij hen geen rol speelde: het was pure beleving.”

Vertaald in het Twents
Net als Jacques Janssen is cabaretier Herman Finkers een hartstochtelijk zanger, onder meer als lid van de Schola Cantorum van de Sint Lambertusbasiliek in Hengelo. Maar om gregoriaans te kunnen zingen in een gewijde ruimte, hoeft hij niet van huis. In de kelder van zijn woning in het Twentse Beuningen bevindt zich een kapel, waar Finkers vrijwel dagelijks als cantor ‘optreedt’. Wie de trap afdaalt, passeert een zeventiende-eeuws portret van paus Gregorius. Er was een tijd dat Finkers hier zoveel uren zingend doorbracht dat zijn vrouw Hetty de kookwekker zette om hem weer tot de orde van de dag te roepen.
Gevoel voor het mysterie van de liturgie heeft Finkers al sinds zijn kindertijd. “Ik was misdienaar in de Tridentijnse mis (de misorde volgens het Concilie van Trente, dus van vóór de liturgische hervormingen van Vaticanum II, VB). Maar als ik geen beurt had, vond ik het saai. Ik maakte dan geen deel uit van het mysterie. Alleen bijwonen is niet genoeg, je moet er zelf deel aan hebben om het te kunnen beleven. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft dat uitgedrukt met het begrip participatio actuosa, daadwerkelijk deelnemen van de geloofsgemeenschap aan de liturgie. Maar de Nederlandstalige gezangen en liederen die het Latijn hebben vervangen, zijn het niet voor mij, omdat ze te zeer tijdgebonden zijn.” Finkers zocht naar kerken waar hij het eeuwige mysterie wél aan den lijve kon ervaren. Zo bezocht hij de mis van de Dogmatische Unie in Oldenzaal, een traditionalistische katholieke vereniging die vasthoudt aan de Tridentijnse liturgie. “Maar daar hoorde ik alleen negentiende-eeuws gregoriaans, met een orgel dat alles kapot maalt. Dat was het ook niet.”
Tientallen jaren liep Finkers rond met het idee zelf een mis te organiseren, waarin de gehele aanwezige kerkgemeenschap actief deelneemt aan de mysterievolle ritus en gregoriaans wordt gezongen volgens de nieuwste inzichten. Dat ideaal werd werkelijkheid toen hij in contact kwam met het vrouwenensemble Wishful Singing. Samen initieerden ze de Missa in Mysterium, die op zondag 9 oktober 2016 in de Oldenzaalse Sint-Plechelmusbasiliek werd opgenomen en op tweede kerstdag door de NPO werd uitgezonden. De gehele liturgie werd in het Latijn gezongen, inclusief de lezingen uit de Schrift, hoewel Finkers er een vertaling in het Twents bij gaf. “Dat was een eigen vondst, een mooie combinatie met het Latijn.” Iedereen zong mee: vrouwen met de vrouwenschola, mannen met de mannenschola, afgewisseld met gezangen door Wishful Singing. Het liturgieboekje vermeldt bij elk onderdeel de bijbehorende lichaamstaal: staan, zitten, knielen, het hoofd buigen, zich bekruisen, zich op de borst kloppen. De vredeswens geschiedt niet met een handdruk, maar door een lichte buiging van het hoofd, waarbij men in gedachten iedereen de vrede wenst. De preek is een korte ‘duiding der mysteriën’ die in het boekje is afgedrukt en die men zelf kan lezen, terwijl het koor zingt.
Finkers betrok er ook leerlingen van twee Oldenzaalse middelbare scholen bij. “Via de muziekdocent, er zat geen catechetisch element in. Het mysterie werd niet door praten, maar door muziek, liturgie en ritueel benaderd. Misschien is dat wel de beste toegang tot het geloof. Grappig genoeg was het veel gemakkelijker om met jongeren volgens de nieuwste semiologische inzichten gregoriaans te zingen, dan met een parochiekoor dat al decennia aan Mocquereau gewend is. De tekst is belangrijk, maar in eerste instantie om hem goed te kunnen zingen. Die leerlingen stonden daar volkomen onbevangen tegenover. Columnist Stijn Fens hoorde hen na afloop in een cafetaria het Kyrie zingen.”

Opera voor God
Met veel voldoening kijkt Herman Finkers op ‘zijn’ mis terug. ‘De mensen in de kerk zongen goed mee en ze hielden zich prima aan de regieaanwijzingen.’ Regieaanwijzingen? Dat klinkt alsof de mis een vorm van theater is. Finkers beaamt dat. “In de jaren ’80 voerde cabaretier en programmamaker Jacques Klöters met een stel vrienden in Paradiso in Amsterdam een Latijnse mis op. Ze waren allang van hun geloof gevallen; ze deden het voor de lol, maar wel plechtig. Naar eigen zeggen kwamen ze haast gelovig weer naar buiten. Zo sterk is het ritueel. Bij de Missa in Mysterium echter wordt niet het geloof gebruikt om theater te maken maar staat de dramaturgie en de zang ten volle in dienst van het gebed. Zelf vergelijk ik de gregoriaanse mis met een opera, die we als gemeenschap samen opvoeren voor God en waarbij ieder zijn eigen rol heeft. Het is een kunstzinnig, verstild eerbetoon aan het geheim achter alle dingen dat we liefde noemen. Een offerritueel, gericht op het eeuwige en op de mensen die ons zijn voorgegaan. Dat ritueel werkt uit zichzelf: het neemt je mee, gewoon door het uit te voeren. Dat heb ik zelf ook ervaren. De laatste repetitie ging mis, waardoor ik voorafgaand aan de opname gejaagd was en vol adrenaline zat. Maar al snel werd ik helemaal rustig. Het ritueel is een krachtig gebed. Met de preek kun je het oneens zijn, met het ritueel niet.”
Het is niet de bedoeling dat het bij die ene uitvoering blijft. “Alleen is het wel duur. De priester kost niet zoveel, maar het koor wel. Bovendien is professioneel semiologisch zingen te ingewikkeld voor een gemiddelde parochie. Ook is het steeds moeilijker om een priester te vinden die een volledige mis kan en wil zingen. Zelf wil ik me richten op basilieken her en der in het land, omdat die een veelal parochie-overstijgende functie vervullen.”
Het gregoriaans heeft dus toekomst. “Ja, op zijn minst als concertvorm. Lange tijd, zeg maar van het eind van de middeleeuwen tot 1900, is het ondermaats gezongen en zelfs dat heeft het overleefd. Maar de Missa in Mysterium is meer dan een concert: ze is een nieuw elan, dat ook iets doet met jongeren. Mensen vragen weleens: waarom perse Latijn? Je kunt de vraag ook omdraaien: waarom perse de volkstaal? De liturgie is 1500 jaar lang in het Latijn gedaan, over de hele wereld. Die enorme rijkdom aan repertoire en dat universele karakter van de mis zijn vervangen door een eigen versie van de ritus per land, en een opnieuw bedenken van het muzikale repertoire. Die prijs is zó hoog dat je wel een héél goede reden moet hebben om het in de volkstaal te willen doen. En die is er goed beschouwd niet echt. Als we Sanctus vervangen door Heilig, weten we dán wel waar we het over hebben? Ik denk het niet. Je kunt niet om het Mysterie heen.”

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda