FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 04 May 2017 15:44

Muziek na Auschwitz

Uitvoering van 'Requiem voor Auschwitz' van Roger 'Moreno' Rathgeb Uitvoering van 'Requiem voor Auschwitz' van Roger 'Moreno' Rathgeb Tekst: Eric Corsius Beeld: ANP Foto

Kunnen we nog zingen en muziek maken na Auschwitz? Volgens de joodse zangeres Shura Lipovsky kunnen we dat wél: “Ook zij, die in tijden van verdrukking niet zijn opgehouden met het scheppen van mooie dingen, zijn helden.” Eric Corsius over drie componisten die muzikaal vormen gaven aan de stemming na de Tweede Wereldoorlog. “Hand in hand wandelen de twee vijandige minnaars in Brittens War Requiem richting paradijs.”

In Nederland vieren we twee keer per jaar Goede Vrijdag: de eerste keer in de week voor Pasen, de tweede keer, in seculiere vorm op 4 mei. Beide keren staan we stil bij de afgrond van het godverlaten lijden. Beide keren doen we dat ingetogen, maar tevens met het perspectief van licht en bevrijding. Uiteraard is er een heel belangrijk verschil. Voor een gelovige is de opstanding van Jezus een overwinning op de kruisdood. De jubel van Pasen overtroeft en overwint de hel van Golgotha. Het leven slokt de dood op. De dood was niet vergeefs. Daardoor is Goede Vrijdag nooit helemaal zwart en donker. Er gloort een sprankje licht aan de horizon. Pasen werpt zijn licht op Goede Vrijdag. Bij 4 en 5 mei is het juist andersom: Bevrijdingsdag is geen overwinningsfeest, maar wordt overschaduwd door dodenherdenking. De bittere bijsmaak van zoveel onherroepelijk en vergeefs lijden blijft bestaan. De offers blijven zinloos. Ook op Bevrijdingsdag lopen we op de kousenvoeten van rouw en schaamte. “Er zijn veel te veel jonge doden om rustig rond te kunnen lopen”, schreef na de Tweede Wereldoorlog de dichter Halbo C. Kool.
Het verschil tussen de religieuze en seculiere Goede Vrijdag heeft natuurlijk invloed op de rol die muziek speelt bij de herdenking. De passiemuziek op Goede Vrijdag heeft altijd iets troostends. Het bijwonen van de Matteüspassie van Bach leidt bij liefhebbers tot een louterend effect, een catharsis of op zijn minst de opluchting na een stevige huilbui. Het lijkt daarentegen niet goed mogelijk om muzikaal stil te staan bij de doden en levenslang geknakten van Tweede Wereldoorlog en Holocaust en om daarbij een vergelijkbare loutering te ondergaan. Er is te veel onomkeerbaar en onvoorstelbaar lijden. Elk lied klinkt ongeloofwaardig en onbedoeld honend, pijnlijk en beschamend – al wordt er met de beste bedoelingen rouw en berouw mee uitgedrukt.
Deze onmogelijkheid is een gevolg van de crisis waarin de kunst na 1945 terecht is gekomen. Denkers en dichters vroegen zich na 1945 af of kunst überhaupt nog een bestaansreden had. Was het nog mogelijk om schoonheid te scheppen? Had de schoonheid, om het met de dichter Lucebert te spreken, niet voorgoed haar gezicht verbrand? Was de taal niet aan diggelen gevallen, zodat alleen nog verwrongen, versplinterde gedichten zoals die van Paul Celan mogelijk waren? Schoonheid bleek een illusie in een door en door duistere wereld. Daarbij kwam dat de kunst niet weerbaar was gebleken tegen misbruik door barbaren. Nazibeulen hadden ’s avonds na gedane arbeid doodgemoedereerd geluisterd naar Schubert en Mozart. Misdadigers waren fijnproevers geweest die in kunst hadden gehandeld. Kunst bleek omkoopbaar, corrupt.

Beulen en bondgenoten

En toch zoeken mensen altijd opnieuw oprecht naar manieren om via kunst en muziek uiting te geven aan ontzetting over de terreur van het Derde Rijk - en zelfs om troost te vinden. Een indrukwekkend voorbeeld hiervan is Jules Schelvis (1921-2016). Hij was een van zeer weinige overlevenden van vernietigingskamp Sobibor. Hij verloor er al zijn dierbaren – en op een haar na zijn eigen leven.
Sinds 2013 vertelde Schelvis meerdere malen het relaas van zijn deportatie. Hij deed dit in de vorm van een door muziek omlijste voordracht onder de titel Er reed een trein naar Sobibor. Dit was niet alleen een getuigenis van de verschrikkingen van de Jodenvernietiging, het was een ook een bewijs van de overeind gebleven menselijkheid van deze kleine grote man, een menselijkheid die zich had laten voeden door de schoonheid van de muziek. Al in zijn jeugd was hij in de ban geraakt van klassieke muziek en in de jaren der verschrikking hield de herinnering aan deze muziek hem op de been. Samen met een vriend deed hij bijvoorbeeld een spel, waarbij zij om beurten muziekfragmenten floten, waarvan dan de herkomst moest worden geraden. Schelvis hoorde zo bij de velen die, zelfs in de kampen, met de meest beperkte middelen, muziek bleven maken.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda