FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
donderdag, 09 February 2017 10:52

Een hartstikke gaaf land

VVD-premier Mark Rutte is trots op zijn 'hartstikke gaaf land'. VVD-premier Mark Rutte is trots op zijn 'hartstikke gaaf land'. Tekst: Koen Vossen Beeld: ANP Foto

”Vergeleken met vele andere volkeren zingen wij minder luid onzen eigen lof”, schreef historicus Johan Huizinga in 1934. Maar dat was toen. Anno 2017 staat de nationale identiteit in het middelpunt van de politieke discussie. Die identiteit lijkt vooral de identiteit van de eigen achterban te zijn.

Sinds de opkomst van Pim Fortuyn in 2002 horen lofzangen op Nederland en de Nederlanders net zo bij verkiezingscampagnes in Nederland als gebakkelei over koopkrachtplaatjes en groeicijfers. Als de voortekenen niet bedriegen, zullen we ook dit jaar er wederom volop aan herinnerd worden dat we leven in een heel mooi land en behoren tot een heel bijzonder volk. Zo laat Mark Rutte geen mogelijkheid onbenut om Nederland ´een hartstikke gaaf land´ te noemen, roemt Geert Wilders de Nederlanders als ‘het volk van Michiel de Ruyter en Piet Hein’ en verklaarde DENK-Tweede Kamerlid Selcuk Öztürk onlangs nog in het parlement zijn liefde voor Nederland. PvdA-lijsttrekker Lodewijk Asscher kondigde aan dat het een van zijn belangrijkste doelen is om de ‘nationale trots te heroveren op rechts’.
Aan zulke patriottistische taal is op zich niets bijzonders. In de meeste landen wordt tijdens verkiezingscampagnes nog wel wat harder op de nationalistische trom geslagen dan in Nederland. Wat zijn de Amerikaanse presidentsverkiezingen zonder vlaggengezwaai, een plechtig gezongen volkslied en de gewichtig uitgesproken bezwering God bless America? In Frankrijk proberen kandidaten elkaar te overtroeven in hun bewondering voor de grootsheid van La France. Zelfs in Duitsland, waar nationalisme sinds 1945 gevoelig ligt, voerde de sociaaldemocraat Willy Brandt in 1972 campagne met de slogan: Deutsche! Ihr könnt stolz sein auf euer Land. Het appelleren aan een nationaal wij-gevoel blijkt een minstens zo krachtig mobilisatiemiddel als de belofte van minder belasting of meer werkgelegenheid.

Nuchter en burgerlijk
Bijzonder is eigenlijk dat de ronkende retoriek van de vaderlandsliefde in de Nederlandse politiek lange tijd eerder uitzondering dan regel lijkt te zijn geweest. Dit schijnbare ontbreken van patriottistische retoriek is vaak verklaard vanuit de spreekwoordelijke Nederlandse nuchterheid. Dikwijls wordt daarbij verwezen naar het beroemde, in 1934 geschreven essay Nederlands geestesmerk van historicus Johan Huizinga. “Vergeleken met vele andere volken”, zo constateerde Huizinga reeds “zingen wij minder luid onzen eigen lof”. De Nederlanders waren als handelsvolk te burgerlijk en te berekenend om zich door zulke emoties te laten meeslepen, terwijl het hen bovendien ontbrak aan grote nationale frustraties en trauma´s. “Als natie en staat zijn wij nu eenmaal in zekere zin satisfait”, zo luidde zijn oordeel, “en het is onze nationale plicht het te blijven.”
Toch had Huizinga´s typering veel weg van een bezwering van een ook in Nederland opdoemend nationalisme. In 1934 toen Huizinga het essay schreef was de Nationaal Socialistische Beweging van Anton Mussert bezig met een flinke opmars. De in december 1931 opgerichte partij telde in 1934 al meer dan dertigduizend leden, onder wie veel jongeren. De NSB beschouwde een gebrek aan nationale trots niet als deugd maar als een fundamentele tekortkoming. Daaraan ten grondslag lagen volgens de NSB de veelheid van partijen en de hokjes en schotjesgeest van het verzuilde Nederland waarin iedere partij een netwerk van organisaties onderhield. De NSB wilde een nieuw nationaal thuis zijn voor Nederlanders van alle gezindten: zelfs joden waren in het begin nog welkom.
Net als Huizinga probeerden veel commentatoren de opmars van de NSB te bestrijden door al het gezwaai met Nederlandse vlaggen en het brengen van de groet Hou Zee als ´on-Nederlands´ te bestempelen. De NSB zou een kopie van de Duitse NSDAP zijn en probeerde derhalve een Duits soort nationalisme in Nederland te importeren, dat echter niet bij onze nuchtere en burgerlijke volksaard zou passen. Toch kende Nederland weldegelijk een misschien niet bijzonder luidruchtig uitgedragen maar niettemin alom aanwezig nationalisme. Zo verklaarden de protestants-christelijke partijen, de ARP en de CHU, steeds nadrukkelijk hun trouw aan het driesnoer God, Vaderland en Oranje. De liberalen probeerden al sinds eind negentiende eeuw een nationaal gevoel aan te wakkeren als tegenwicht tegen de centrifugale krachten van klassenstrijd en schoolstrijd. Het probleem van het vooroorlogse nationalisme was echter dat het was gebaseerd op de aanname dat Nederland in essentie een protestants en burgerlijk land was. Daarmee werden twee grote groepen in de samenleving impliciet uitgesloten: de katholieken en de socialistische arbeiders. Gezamenlijk maakten beide groepen ongeveer de helft van de samenleving uit. Hoewel ook zij geregeld blijken van vaderlandsliefde gaven, bleven deze toch relatief bescheiden: hun doel was in eerste instantie emancipatie in een land waarin zij lange tijd tweederangsburgers waren.

 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda