FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 30 January 2017 09:43

De ander als object

Tekst: Jurgen Tiekstra Tekst: Jurgen Tiekstra

Jurgen Tiekstra belicht in de rubriek 'Film' klassieke films waarin een eigenzinnige kijk op de mens en de wereld naar voren komt. Deze maand 'Venus Noire', een film uit 2010, maar hoogst actueel. De film vertelt over de Zuid-Afrikaanse Saartje Baartman die in de negentiende eeuw als 'wilde' werd tentoongesteld.

In 1810 voer een schip van Kaapstad naar Londen met aan boord de Schotse arts William Dunlop, de ‘vrije zwarte’ Hendrik Cesars en de twintigjarige vrouw Saartjie Baartman. De jonge vrouw was afkomstig van het Khoikhoi-volk: veehoudende mensen die tot de oorspronkelijke inwoners van Zuid-Afrika behoorden. De Nederlandse kolonisten noemden hen ‘hottentotten’, in een poging hun taal na te bootsen.
Het verhaal gaat dat Saartjie Baartman, een naam bedacht door kolonisten, dacht dat ze in Londen geld ging verdienen als danseres. Maar ze eindigde in een theater op Piccadilly Circus, waar ze samen met Cesars een succesvolle act opvoerde: ze werd er gepresenteerd als een wilde uit het binnenland van Afrika waaraan de Engelsen zich mochten vergapen. Tegen extra betaling mochten ze haar bovendien aanraken. Dit businessmodel zou bedacht zijn door de blanke Willam Dunlop, de organisator op de achtergrond.

Topzware benaming
In 2010 maakte de Tunesisch-Franse regisseur Abdellatif Kechiche een intense film over het leven van Saartjie Baartman, genaamd Vénus noire (ook wel Black Venus). De film roept de vraag op wat racisme nou precies is, vooral ook omdat we in een tijd leven waarin mensen steeds vaker het verwijt krijgen een ‘racist’ te zijn. 
Strikt genomen is iemand een racist als diegene er een rassenleer op na houdt. Meer nog: diegene moet het ene ras inferieur vinden aan het andere. De bekendste belijder van rassendiscriminatie is Adolf Hitler. Hij had de bijna religieuze overtuiging, blijkt uit zijn boek Mein Kampf, dat het joodse ras het einde van de mensheid zou inluiden.
Je kunt je afvragen hoeveel mensen er in onze wereld daadwerkelijk een racist zijn en dus de innerlijke overtuiging koesteren dat het ene ras intrinsiek minder is dan het andere. Zelfs een schedelmeter hoeft niet per se racistische ideeën te hebben: hij kan simpelweg een wel erg grote nieuwsgierigheid hebben naar fysieke verschillen tussen volkeren.
Zo bezien wordt het woord ‘racist’ veel te vaak en snel in de mond genomen, door mensen die in wezen willen protesteren tegen een meer algemene discriminatie van groepen. Dat onderscheid is meer dan semantiek, omdat de benaming ‘racist’ zo topzwaar is dat het de geëtiketteerde vol in de maag raakt. De kans om vervolgens nog tot een redelijke uitwisseling van argumenten te komen, wordt dan wel erg klein. De waarheid zal zijn dat zelfs al had iedereen op aarde dezelfde huidskleur, dan nog zouden wij inventief genoeg zijn om allerlei onderlinge verschillen aan te wijzen op basis waarvan mensen kunnen worden opgedeeld. De mens is nu eenmaal een onverbeterlijke groepsdenker.

Groot achterwerk
Veel wezenlijker is het dat de film Vénus noire laat zien hoe besmettelijk het is als voortdurend de nadruk wordt gelegd op uiterlijke en etnische verschillen, zoals dat ook gebeurt de laatste jaren in de maatschappelijke discussies in Nederland. Als een virus grijpt dat denken-in-onderscheid om zich heen en infecteert zelfs de grootste kosmopoliet en wereldburger. Ineens krijgen afkomst en uiterlijk een beladenheid die ze uiterst moeizaam weer kwijtraken. Kleurloos denken wordt voorgoed verleden tijd.
Allereerst moest regisseur Abdellatif Kechiche een hoofdrolspeelster vinden die lijkt op hoe Saartjie Baartman eruit moet hebben gezien. De Schotse arts William Dunlop dacht namelijk onder meer dat de Britten in extase zouden raken door het zien van Baartmans grote achterwerk, een fysiek kenmerk dat karakteristiek zou zijn voor sommige Khoikhoi-vrouwen. In Parijs zag Kechiche een vrouw lopen die hem geschikt leek voor de rol en die door zijn assistent werd benaderd. Het ging hier om Yahima Torres, een jonge zwarte vrouw uit Cuba die net naar Frankrijk was geëmigreerd. Ze verdiende haar geld met het geven van Spaanse taalles en had geen enkele ervaring met acteren. Het merkwaardige hieraan is dat Kechiche, om de juiste actrice voor zijn film te kunnen vinden, door de ogen moest kijken van de negentiende-eeuwse William Dunlop. Om dat te doen moest hij deze Cubaanse Yahima Torres in wezen reduceren tot louter haar fysieke verschijningsvorm, namelijk een stevig gebouwde vrouw met een voldoende donkere huidskleur. Vervolgens voert hij Torres op in zijn film als Saartjie Baartman, die op het podium van een theater in Piccadilly Circus in Londen in een houten kooi wordt gehouden. Ze moet namelijk de indruk wekken een wilde te zijn die afkomstig is van het Afrikaanse continent. Ze kan alleen geketend uit haar hok gehaald worden, omdat ze anders de griezelende toeschouwers aanvliegt. Het is kristalhelder voor de filmkijker dat Baartman, die op het affiche van de theatershow wordt aangekondigd als de ‘Hottentot Venus’, moedwillig meedoet aan deze racistisch getoonzette voorstelling. Ze wordt er weliswaar doodongelukkig van, maar haar plan is om zo een paar jaar geld te verdienen en dan terug te keren naar Zuid-Afrika en daar een nieuw en weldadig bestaan op te bouwen.
Maar het spannende aan de film van Kechiche is dat hij nauwelijks dieper doordringt in het denken van deze Saartjie Baartman. In plaats daarvan laat hij de blanke filmkijker uitgebreid meekijken met de bezoekers in het Londense theater: naar haar schuddende billen en haar volle borsten. Aan het einde van elke opvoering zien we de reikende handen van giechelende vrouwen en mannen die haar achterwerk willen aantikken.
De film neemt in grimmigheid toe als Baartman naar Parijs vertrekt. Een reden voor de verhuizing is dat in Londen de protesten luider werden over de veronderstelde uitbuiting van een weerloze vrouw. De achterstelling van zwarte mensen in het Britse Rijk was in die tijd al zo normaal niet meer: twee jaar voor Baartmans komst naar Engeland was er een wet aangenomen die een einde had gemaakt aan de trans-Atlantische slavenhandel.

Schuldige blik
In Frankrijk echter wekt Baartman de nieuwsgierigheid van de natuurwetenschapper Georges Cuvier, een man die ooit opschreef dat het negroïde ras in de barbarij is blijven steken. Regisseur Kechiche laat ons dit keer uitvoerig met Cuvier meekijken als hij de anatomie van de Zuid-Afrikaanse vrouw tot in het grootste detail bestudeert en in nauwgezette tekeningen laat vastleggen. Weer zorgt Kechiche ervoor dat óók de filmkijker zich schuldig voelt aan het tot louter een object maken van deze Afrikaanse vrouw.
In dat proces wordt elke blik schuldig. Want wanneer te pas en te onpas het verschil benadrukt wordt tussen twee mensen met een andere afkomst, verliest de omgang tussen die twee al zijn vroegere onschuld. Niet alleen in de ogen van buitenstaanders, maar ook in de ogen van die twee zelf. Elk woord en gebaar is zijn spontaniteit kwijt, omdat de omgang met elkaar een mijnenveld is geworden waarin een misstap tot detonatie kan leiden: tot gekwetstheid, onbegrip, angst, zelfbeklag en verwijten aan de ander.
Die beladenheid verscheurt het weefsel dat een veelkleurige samenleving nodig heeft. Je hebt geen overtuigde racist als Georges Cuvier nodig, met zijn kijk op het Kaukasische ras als bron van de beschaving, om etnische groepen toch van elkaar te vervreemden. Precies dat gebeurt ook in een land als Nederland, als mensen te vaak worden bekeken als vertegenwoordiger van een etnische groep en niet als een mens op zichzelf.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda