FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 23 January 2017 08:59

'Gelukkig kerstfeest, je was net op tijd'

Tekst: Dick van Veen Tekst: Dick van Veen Beeld: Hollandse Hoogte

Het essay 'Gelukkig kerstfeest, je was net op tijd' kreeg van de jury van de Volzin-schrijfwedstrijd een eervolle vermelding.

"Een kind is vreugde, een kind is een nieuw dorp, waar blijft ons kind?", zo zingt men in Afrika. Dick van Veen verleende onmisbare assistentie bij de geboorte van een kerstkind in Afrika. "Ik kleed me aan en rijd de Landrover naar de klinkiek. (...) Het lichaam van Maria is nat van het zweet en toch slaan haar tanden opeeen van de kou. 'Maria, ga niet dood', bid ik en probeer harder te rijden."

Mijn verhaal speelt zich af in Zaïre (thans République du Congo), een land in Afrika waar ik een periode van mijn leven (1966 – 1975) heb gewoond en binnen het middelbaar onderwijs heb gewerkt. In een voor onze begrippen onooglijk dorp en onder materieel vrij belabberde omstandigheden heb ik, Europese vreemdeling, uit de huis-, tuin- en keukengesprekken, uit spreekwoorden en gezegden, uit dans, muziek en zang, uit vrolijkheid en verdriet, met ontroering iets begrepen van de diepte en oorspronkelijkheid van het Afrikaanse continent.
Hebben wij, Europeanen, het geduld de groei van dit continent te laten gebeuren in vrijheid en verantwoordelijkheid, met de mogelijkheid dat Afrikanen hun eigen lot in handen nemen en te bepalen?

Onwezenlijk stil
Later, veel later dan de gebeurtenis plaatsvond, heb ik dit verhaal opgeschreven. En ook vandaag komen de herinneringen: duidelijk, vastomlijnd en niet mis te verstaan. Kan mijn hart ooit vergeten wat mijn oog heeft gezien of mijn oor heeft gehoord?
Het is bijna Kerstmis! Onbezorgd zit ik voor mijn huis tegenover de middelbare school van Yalisele, een missiepost in het oosten van het bisdom Basankusu. Troepen papagaaien vliegen pratend voorbij. Zij zijn als vrouwen die terugkomen van de visvangst. Ze praten en praten en niemand weet wat ze zeggen.
Tata Pierre, de kok van de school, zit op een driepoot bij het vuur en doet wat een oude man doet: hij zit en denkt aan de dingen van vroeger.
Wanneer ik vraag hoe het ermee gaat, zegt hij dat zijn hart zwaar is als moerasijzer. De reden? Mamma Anna, zijn vrouw, is vertrokken naar het dorp van haar vader. Ze is weg. Vier dagen en vier nachten is Tata Pierre geweest als een man zonder vrouw, omdat hij haar het geld niet heeft gegeven voor een lap katoen en een nieuwe hoofddoek voor Kerstmis.
Anna is weg. “Zo zijn vrouwen”, zegt Pierre. “Soms is hun hart zacht als het vlees van een paddenstoel. Soms is het ruw als de huid van een schubdier.”
Het is bijna Kerstmis. De hele afgelopen week heb ik vergaderd met de docenten van de middelbare school van Yalisele. Ik heb de rapporten geschreven en uitgedeeld, de school laten schoonmaken en de vrouwen betaald voor de geleverde maniok, de vis, het olifantenvlees en de groenten.
Nu zijn de leerlingen op vakantie. Ik ben alleen. De pastoor en de kapelaans van de missie zijn op reis naar de omliggende dorpen.
De school is onwezenlijk stil en verlaten. In het bos achter mijn huis wagen zich weer enkele apen. In de avondbries klinken de geluiden van de Afrikaanse nacht als een wonderlijke symfonie.

Dikke buiken
Ik steek de peterolielamp aan en rook met Tata Pierre een sigaret. We roken zoals mannen roken. We sluiten de ogen en blazen de rook uit.
Hélène, de dochter van Pierre, geeft haar baby de borst en stampt intussen de maniok. Haar vingers vergissen zich niet. Haar handen zijn als de handen van een aap die bij het grijpen nooit een tak missen. Pierre kijkt met trots naar zijn dochter en zegt: “De kuiten van Hélène zijn dik: ze zal veel kinderen baren.” Hélène giechelt van pret wanneer Tata Pierre zo praat. “Monpè Dikkie”, (dat was mijn naam in Afrika), zegt ze, “mijn vader maakt grappen.” En ze zingt terwijl ze stampt.
Vanachter de school klinken stemmen en gelach. Het komt van de kraamkliniek, een gebouwtje waar vrouwen ‘met buiken’ wachten op de bevalling. In het donker wandel ik erheen en praat met de aanstaande moeders. Tegen Mamma Véronique die een hele dikke buik heeft zeg ik: “Er zitten er twee in.” Ze slaat zich op de armen van pret. “Stop met praten, Monpè Dikkie”, zegt ze, “je praat en je praat en je houdt me voor de gek!”

Breekbaar als een kalebas
In de hoek van de kliniek hurkt een hele familie rond een ziekenhuisbed, waarop een jong meisje ligt. Haar ogen staan zwart als het hout van de libuna. Haar buik is hard en gezwollen. Ze heet Maria en wanneer ik haar hand pak, voel ik dat ze bang is, bang als een kleine vogel die men in zijn hand houdt. Wanneer ik naar haar toestand informeer bij de verloskundige, zegt deze dat alles wel goed zal komen.
“Slaap goed”, zeg ik tegen de mensen. “Slaap goed, Monpè Dikkie”, antwoorden ze. Ik loop naar mijn huis terug en eenmaal in bed slaap ik direct in.
Midden in de nacht wordt er op de deur geklopt. “Monpè Dikkie, Monpè Dikkie”, hoor ik roepen. Ik doe de deur open en zie mensen met stallampjes. Ze zijn stil en hun ogen staan bedroefd. Het is de familie van Maria, het jonge aanstaande moedertje. “Het kind wil niet naar buiten komen”, zeggen ze. “We vragen jou om ons naar het ziekenhuis te brengen. Weten we dan niet dat jouw hart breekbaar is als een kalebas?”
Bij een vraag die te maken heeft met het vergroten van de clan, de geboorte van een nieuw lid van de clan, mag ik niet twijfelen: mijn bed uit, de Landrover in en rijden! Alles wat ik ooit gezegd heb zullen ze vergeten, maar nooit de manier waarop ik met hen ben omgegaan! 

Ware dingen
Ik kleed me aan en rijd de Landrover naar de kliniek. We leggen Maria voorzichtig op een matras achterin. De familie heeft alles wat nodig is al ingepakt in manden en installeert zich rondom de matras. Ik start de motor opnieuw en de tocht naar Yoseki, waar een Engelse dominee, die tevens arts is, een ziekenhuis runt is begonnen. We hebben 60 kilometer voor de boeg. De weg is erbarmelijk slecht. Ik haal een gemiddelde van 25 kilometer per uur. Ik moet de Landrover in de kleinste versnelling de heuvels op laten klimmen. Hij steunt en kreunt maar laat ons niet in de steek. 
Bij de bruggen van boomstammen laat ik iedereen, behalve Maria, uitstappen en rijd dan stapvoets over de glibberige bomen. Ik tuur naar de weg en voel hoe ik drijfnat word van de inspanning. De dorpen waar we doorheen rijden slapen. Soms schiet een wilde kat of een hert vlak voor de wielen weg.
Achter me hoor ik de mensen praten, maar zo zacht en zo vlug dat ik het niet versta. Wanneer ik af en toe stop om te kijken hoe het met Maria gaat, zie ik dat ze huilt zonder geluid te maken. Ze grijpt mijn hand en knijpt erin. “Maria”, zeg ik, “deze auto is niet als een rivier die stroomt en stroomt. Deze auto zal aankomen bij het ziekenhuis. De dokter zal je helpen.”
“Eèèèèèè”, zegt de familie, “Monpè Dikkie praat ware dingen.”

Tranen van het hart
De verloskundige wrijft Maria in met zeepsop, in het geloof dat het kindje zo vlugger naar buiten zal willen komen. De reuk in de Landrover is een vreemde mengeling van zweet, eten, braaksel van Maria en de klamme lucht uit het oerwoud die door de raampjes naar binnen waait.
Het lichaam van Maria is nat van het zweet en toch slaan haar tanden opeen van de kou. “Maria, ga niet dood”, bid ik en probeer harder te rijden.
De moeder van Maria zingt een liedje: “Een kind is vreugde, een kind is een nieuw dorp, waar blijft ons kind?”
Over de vader van het kind wordt door niemand gesproken. Wie is het? Dat is het geheim van man en vrouw. “Is het dan niet een man met haar onder zijn oksels die een vrouw nodig had? Liggen er dan geen twee matten in een hut? Is een vrouw zonder man dan niet als een vijzel zonder stamper?”
Eindelijk komen we bij de afslag naar Yoseki. Ik rijd nu gevaarlijk hard. Maria moet ondraaglijke pijn lijden door het schudden en schokken van de Landrover. Maar we hebben geen minuut te verliezen. De dokter komt meteen uit bed en roept zijn Afrikaanse assistenten om de operatiekamer in gereedheid te brengen.
Ook ik krijg een kapje voor en assisteer mee. De dokter besluit tot een keizersnede.
Hij past een plaatselijke verdoving toe. Ik weet niets beters te doen dan het zweet van het voorhoofd van Maria te vegen. De tranen die ze schreit, zijn niet de tranen van het oog, maar de tranen van het hart van een moeder. “Zal ze dan geen kind zogen en grootbrengen?”

Licht als bamboe
De baby is er! Het is een jongen. “Gelukkig kerstfeest”, zegt de dokter, “je was net op tijd.”
Verdwaasd loop ik de nacht in en doe wat een man in Afrika niet doet: ik huil. Maar mijn hart is zo licht als een bamboestok! “Gelukkig kerstfeest, er is een kindje geboren op aard!”
Terug in het ziekenhuis zie ik hoe Maria het kindje in doeken wikkelt en in een wiegje legt.
Kan mijn hart ooit vergeten wat mijn oor heeft gehoord en mijn oog heeft gezien…?

Dick van Veen (76) was van 1963 tot 1975 priester-missionaris in Afrika. Hij werkte er als docent en directeur van een middelbare school. Vervolgens, na zijn huwelijk, was hij in Nederland werkzaam als beleidsmedewerker in een organisatie voor mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking. Nu is hij gepensioneerd en woont hij in Moordrecht. Zijn inzending heeft van de jury van de Volzin-schrijfwedstrijd 2016 een eervolle vermelding ontvangen.

Mijn verhaal speelt zich af in Zaïre (thans République du Congo), een land in Afrika waar ik een periode van mijn leven (1966 – 1975) heb gewoond en binnen het middelbaar onderwijs heb gewerkt. In een voor onze begrippen onooglijk dorp en onder materieel vrij belabberde omstandigheden heb ik, Europese vreemdeling, uit de huis-, tuin- en keukengesprekken, uit spreekwoorden en gezegden, uit dans, muziek en zang, uit vrolijkheid en verdriet, met ontroering iets begrepen van de diepte en oorspronkelijkheid van het Afrikaanse continent.
Hebben wij, Europeanen, het geduld de groei van dit continent te laten gebeuren in vrijheid en verantwoordelijkheid, met de mogelijkheid dat Afrikanen hun eigen lot in handen nemen en te bepalen?
 
Onwezenlijk stil
Later, veel later dan de gebeurtenis plaatsvond, heb ik dit verhaal opgeschreven. En ook vandaag komen de herinneringen: duidelijk, vastomlijnd en niet mis te verstaan. Kan mijn hart ooit vergeten wat mijn oog heeft gezien of mijn oor heeft gehoord?
Het is bijna Kerstmis! Onbezorgd zit ik voor mijn huis tegenover de middelbare school van Yalisele, een missiepost in het oosten van het bisdom Basankusu. Troepen papagaaien vliegen pratend voorbij. Zij zijn als vrouwen die terugkomen van de visvangst. Ze praten en praten en niemand weet wat ze zeggen.
Tata Pierre, de kok van de school, zit op een driepoot bij het vuur en doet wat een oude man doet: hij zit en denkt aan de dingen van vroeger.
Wanneer ik vraag hoe het ermee gaat, zegt hij dat zijn hart zwaar is als moerasijzer. De reden? Mamma Anna, zijn vrouw, is vertrokken naar het dorp van haar vader. Ze is weg. Vier dagen en vier nachten is Tata Pierre geweest als een man zonder vrouw, omdat hij haar het geld niet heeft gegeven voor een lap katoen en een nieuwe hoofddoek voor Kerstmis.
Anna is weg. “Zo zijn vrouwen”, zegt Pierre. “Soms is hun hart zacht als het vlees van een paddenstoel. Soms is het ruw als de huid van een schubdier.”
Het is bijna Kerstmis. De hele afgelopen week heb ik vergaderd met de docenten van de middelbare school van Yalisele. Ik heb de rapporten geschreven en uitgedeeld, de school laten schoonmaken en de vrouwen betaald voor de geleverde maniok, de vis, het olifantenvlees en de groenten.
Nu zijn de leerlingen op vakantie. Ik ben alleen. De pastoor en de kapelaans van de missie zijn op reis naar de omliggende dorpen. 
De school is onwezenlijk stil en verlaten. In het bos achter mijn huis wagen zich weer enkele apen. In de avondbries klinken de geluiden van de Afrikaanse nacht als een wonderlijke symfonie.
 
Dikke buiken
Ik steek de peterolielamp aan en rook met Tata Pierre een sigaret. We roken zoals mannen roken. We sluiten de ogen en blazen de rook uit. 
Hélène, de dochter van Pierre, geeft haar baby de borst en stampt intussen de maniok. Haar vingers vergissen zich niet. Haar handen zijn als de handen van een aap die bij het grijpen nooit een tak missen. Pierre kijkt met trots naar zijn dochter en zegt: “De kuiten van Hélène zijn dik: ze zal veel kinderen baren.” Hélène giechelt van pret wanneer Tata Pierre zo praat. “Monpè Dikkie”, (dat was mijn naam in Afrika), zegt ze, “mijn vader maakt grappen.” En ze zingt terwijl ze stampt.
Vanachter de school klinken stemmen en gelach. Het komt van de kraamkliniek, een gebouwtje waar vrouwen ‘met buiken’ wachten op de bevalling. In het donker wandel ik erheen en praat met de aanstaande moeders. Tegen Mamma Véronique die een hele dikke buik heeft zeg ik: “Er zitten er twee in.” Ze slaat zich op de armen van pret. “Stop met praten, Monpè Dikkie”, zegt ze, “je praat en je praat en je houdt me voor de gek!”
In de hoek van de kliniek hurkt een hele familie rond een ziekenhuisbed, waarop een jong meisje ligt. Haar ogen staan zwart als het hout van de libuna. Haar buik is hard en gezwollen. Ze heet Maria en wanneer ik haar hand pak, voel ik dat ze bang is, bang als een kleine vogel die men in zijn hand houdt. Wanneer ik naar haar toestand informeer bij de verloskundige, zegt deze dat alles wel goed zal komen.
“Slaap goed”, zeg ik tegen de mensen. “Slaap goed, Monpè Dikkie”, antwoorden ze. Ik loop naar mijn huis terug en eenmaal in bed slaap ik direct in. 
 
Breekbaar als een kalebas
Midden in de nacht wordt er op de deur geklopt. “Monpè Dikkie, Monpè Dikkie”, hoor ik roepen. Ik doe de deur open en zie mensen met stallampjes. Ze zijn stil en hun ogen staan bedroefd. Het is de familie van Maria, het jonge aanstaande moedertje. “Het kind wil niet naar buiten komen”, zeggen ze. “We vragen jou om ons naar het ziekenhuis te brengen. Weten we dan niet dat jouw hart breekbaar is als een kalebas?”
Bij een vraag die te maken heeft met het vergroten van de clan, de geboorte van een nieuw lid van de clan, mag ik niet twijfelen: mijn bed uit, de Landrover in en rijden! Alles wat ik ooit gezegd heb zullen ze vergeten, maar nooit de manier waarop ik met hen ben omgegaan! 
Ik kleed me aan en rijd de Landrover naar de kliniek. We leggen Maria voorzichtig op een matras achterin. De familie heeft alles wat nodig is al ingepakt in manden en installeert zich rondom de matras. Ik start de motor opnieuw en de tocht naar Yoseki, waar een Engelse dominee, die tevens arts is, een ziekenhuis runt is begonnen. We hebben 60 kilometer voor de boeg. De weg is erbarmelijk slecht. Ik haal een gemiddelde van 25 kilometer per uur. Ik moet de Landrover in de kleinste versnelling de heuvels op laten klimmen. Hij steunt en kreunt maar laat ons niet in de steek. 
Bij de bruggen van boomstammen laat ik iedereen, behalve Maria, uitstappen en rijd dan stapvoets over de glibberige bomen. Ik tuur naar de weg en voel hoe ik drijfnat word van de inspanning. De dorpen waar we doorheen rijden slapen. Soms schiet een wilde kat of een hert vlak voor de wielen weg.
Achter me hoor ik de mensen praten, maar zo zacht en zo vlug dat ik het niet versta. Wanneer ik af en toe stop om te kijken hoe het met Maria gaat, zie ik dat ze huilt zonder geluid te maken. Ze grijpt mijn hand en knijpt erin. “Maria”, zeg ik, “deze auto is niet als een rivier die stroomt en stroomt. Deze auto zal aankomen bij het ziekenhuis. De dokter zal je helpen.”
“Eèèèèèè”, zegt de familie, “Monpè Dikkie praat ware dingen.”
 
Tranen van het hart
De verloskundige wrijft Maria in met zeepsop, in het geloof dat het kindje zo vlugger naar buiten zal willen komen. De reuk in de Landrover is een vreemde mengeling van zweet, eten, braaksel van Maria en de klamme lucht uit het oerwoud die door de raampjes naar binnen waait.
Het lichaam van Maria is nat van het zweet en toch slaan haar tanden opeen van de kou. “Maria, ga niet dood”, bid ik en probeer harder te rijden.
De moeder van Maria zingt een liedje: “Een kind is vreugde, een kind is een nieuw dorp, waar blijft ons kind?” 
Over de vader van het kind wordt door niemand gesproken. Wie is het? Dat is het geheim van man en vrouw. “Is het dan niet een man met haar onder zijn oksels die een vrouw nodig had? Liggen er dan geen twee matten in een hut? Is een vrouw zonder man dan niet als een vijzel zonder stamper?”
Eindelijk komen we bij de afslag naar Yoseki. Ik rijd nu gevaarlijk hard. Maria moet ondraaglijke pijn lijden door het schudden en schokken van de Landrover. Maar we hebben geen minuut te verliezen. De dokter komt meteen uit bed en roept zijn Afrikaanse assistenten om de operatiekamer in gereedheid te brengen.
Ook ik krijg een kapje voor en assisteer mee. De dokter besluit tot een keizersnede. 
Hij past een plaatselijke verdoving toe. Ik weet niets beters te doen dan het zweet van het voorhoofd van Maria te vegen. De tranen die ze schreit, zijn niet de tranen van het oog, maar de tranen van het hart van een moeder. “Zal ze dan geen kind zogen en grootbrengen?”
 
Licht als bamboe
De baby is er! Het is een jongen. “Gelukkig kerstfeest”, zegt de dokter, “je was net op tijd.”
Verdwaasd loop ik de nacht in en doe wat een man in Afrika niet doet: ik huil. Maar mijn hart is zo licht als een bamboestok! “Gelukkig kerstfeest, er is een kindje geboren op aard!”
Terug in het ziekenhuis zie ik hoe Maria het kindje in doeken wikkelt en in een wiegje legt. 
Kan mijn hart ooit vergeten wat mijn oor heeft gehoord en mijn oog heeft gezien…?
 
Dick van Veen (76)  was van 1963 tot 1975 priester-missionaris in Afrika. Hij werkte er als docent en directeur van een middelbare school. Vervolgens, na zijn huwelijk, was hij in Nederland werkzaam als beleidsmedewerker in een organisatie voor mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking. Nu is hij gepensioneerd en woont hij in Moordrecht. Zijn inzending heeft van de jury van de Volzin-schrijfwedstrijd 2016 een eervolle vermelding ontvangen.

 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda