FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 19 January 2017 09:19

In witte leegte gevangen

Tekst: Elske Cazemier Tekst: Elske Cazemier Beeld: Hollandse Hoogte

Het essay 'In witte leegte gevangen' kreeg van de jury van de Volzin-schrijfwedstrijd een eervolle vermelding.

Een zondagmorgen, een autorit, potdichte mist, een bange chauffeur. Tot er plots een auto voorop gaat rijden. "Ik voel me uitgenodigd. Ik neem de uitgestoken hand aan. Ik kan wel juichen." Een lied komt op.

Die zondagmorgen is alles wit. De mist heeft de huizen, de bomen en de auto's op het pleintje ingepakt. Het liefst zou ik de gordijnen dicht laten en weer in bed kruipen. Maar ik voel me verantwoordelijk. Er wordt op me gewacht, ik moet aan het werk. Ik zet me over mijn weerstand heen en maak me klaar.
Zodra ik in de auto zit heeft het witte mij ook te pakken. Ik klem mijn handen stevig om het stuur en sper mijn ogen open. Daar ga ik, eerst maar voorzichtig, in de eerste versnelling. Mijn voorlampen zijn aan, de ruitenwissers wissen, maar ik merk geen effect. Er is niets voor me en niets opzij. Alleen maar stille witte geslotenheid. Terwijl mijn buik samentrekt, neemt mijn hoofd de leiding. Het spreekt me streng toe. Ik moet de witte streep in de gaten houden. Niet te veel denken. Niet bang zijn. De radio uit laten en me concentreren. Niet zingen zoals anders.
Het zou vandaag een mooie dag worden. Daarom baal ik nog extra. Ik zit me op te winden. De tranen die onder de ergernis omhoog willen komen slik ik weg. Niet afdwalen, zegt de stem in mijn hoofd, niet boos worden, gewoon doen wat je te doen staat en vooral niet toegeven hoe hulpeloos en alleen je je voelt. Ik klem mijn kaken op elkaar en concentreer me op wat mij de weg lijkt. Tussen vier witte muren beweeg ik me voort met zo'n veertig kilometer per uur.

Niet langer alleen
Af en toe komen donkere gevaartes van achteren uit het niets te voorschijn, eerst naast me en dan voor me. Hun rode achterlampen helpen me maar heel even verder. Ik kan ze niet bijhouden. Het lijkt alsof ze me links –of eigenlijk rechts – laten liggen, alsof ze niet snappen dat ik ze nodig heb, alsof ze me niet moeten. Als ik om hulp zou willen roepen zouden ze me niet horen. Ze verdwijnen weer en laten mij alleen.
Dan duikt hij op. Net als de anderen rijdt hij me ook voorbij, maar niet zo hard. Het lijkt wel alsof hij rekening met me houdt. De donkerblauwe Renault gaat voor me rijden. Alsof het gewoon is schijnen zijn rode lampjes me bij. De sfeer in de kleine ruimte van mijn auto wordt warm en zacht. Dat alleen al is een geschenk. Zolang ik het rood zie ben ik veilig.
Opeens zie ik dat andere: voor zijn achterraam staat een kartonnen bord met grote stiftletters erop. Een kinderlijk handschrift: 'Christus is verrezen'. Meteen schiet ik vol. Het is dat ik het stuur moet vasthouden, anders had ik mijn handen gevouwen. Nu roept alles in me dankjewel. En ik trap op het gaspedaal. Volgen moet ik. Dan maar iets harder rijden. Ik durf. Ik laat me de weg wijzen. Ik hoef het niet langer alleen te doen. Nu pas durf ik toe te geven hoe bang ik me voelde, overgeleverd aan de witte leegte. Hij gaat me voor. Het is alsof hij me roept: 'Kom maar, je hoeft niet bang te zijn.' Ik kan me overgeven aan zijn leiding. Er kriebelt iets opgewondens in mijn buik, iets gedrevens. Daar ga ik, jongens. Buiten zit de wereld nog net zo dicht als eerst, maar van binnen gaat er iets open. Ik adem op.

Rationele stem
En toch durf ik niet helemaal te vertrouwen, ik houd me nog een beetje in. Dat komt door dat 'Christus'. Het klinkt groot en ver weg, zo onwrikbaar, zo zeker. Natuurlijk, de Renault dringt me niets op, ik mag volgen zonder voorwaarden. En toch voelt het ongemakkelijk. Ik voel me min of meer verplicht om nu uit dank ook zijn geloof te omarmen, helemaal omdat ik ten diepste hetzelfde geloof. Alleen gebruik ik andere woorden. Na mijn eerste enthousiasme weet ik het niet meer zo goed. Hoor ik wel bij deze nieuwe blauwe vriend? Misschien moet ik me niet zo uitleveren aan zijn Christus? Ik ben kritisch, maar ook onzeker. Ik weet me geen raad met de term verrijzenis. Wat heeft die met mij te maken? Stond er maar iets anders. Een bord met 'Ik zal er zijn voor jou ' had ik zonder aarzeling gevolgd. Of 'God bless you' of zo, een geschenk dat niets terug verwacht. 'Je bent goed zoals je bent' had ik ook kunnen gebruiken.
Mijn hoofd wil weer ingrijpen. Het wil me terug hebben bij mijn stoere zelf. Het verzet zich tegen mijn neiging om het stuur uit handen te geven, om te volgen, om op weg te zijn vanuit zoiets vaags als geloof of vertrouwen. Het is nuchter en verkiest de realiteit boven het mysterie. 'Hecht niet zoveel waarde aan zo'n eenvoudig autootje', zegt het. En: 'Je zult het toch zelf moeten doen'. Het hoofd gaat voor duidelijkheid, zichtbaarheid, bewijslast. Genadeloos ontkent het mijn behoefte aan bevestiging, aan steun. Het doet het enthousiasme van de zachte drijvende kracht in mijn buik geweld aan, ik word er misselijk van. Wat moet ik nou?
Ik luister. De rationele stem is zo dominant, dat ik me mee laat zuigen door zijn redenering. Natuurlijk, hij heeft gelijk: laat ik niet sentimenteel worden en gewoon mijn eigen gang gaan. Bovendien lijkt het zicht ook wel beter te worden nu. Bij het stoplicht blijf ik niet langer volgen, maar ga naast mijn redder staan. Ik kijk voorzichtig naar rechts. Een man achter het stuur, een gewone man, een mens op weg, net als ik. Hij heeft niets zweverigs zo te zien. Heel even maak ik kennis. Ik trek me op aan het menselijke, het gewone, het contact. Dankzij hem ben ik een stuk verder. Maar dan, als het licht op groen springt, trek ik sneller op dan hij en verlies het donkerblauw uit het oog. Ik heb iets van een peuter, die zich losrukt uit de hand van zijn moeder. Of een puber, die genoeg heeft van de bemoeienis van anderen. Ik red mezelf. Ik heb geen hulp meer nodig. Denk ik.

Volkomen mezelf
Bij de grote brug word ik weer helemaal ingepakt. Ik heb geen zicht. En straks komt de plek waar ik moet invoegen. Vlak voor de Coentunnel moet ik twee keer een baan naar rechts, normaal al een griezelige manoeuvre. Nu helemaal een opgave. Ik voel me dom, eigenwijs, alleen. Ik had gewoon moeten volgen. Het kost me al mijn energie om mijn paniek de baas te blijven. Het zweet breekt me uit. De puber in me wil terug, terug naar de veiligheid van thuis. Hoe is het mogelijk, dat ik niet voelde wat goed voor me was? Nu ben ik eerlijk: ik ben bang.
Ik zit in de greep van de mist, maar nog veel meer heeft mijn angst me te pakken. Er is niets meer van me over. Ik heb geen enkele controle meer. De wereld is dichtgetimmerd en toch moet ik door.
En dan... dit kan niet waar zijn. Ik durf mijn ogen niet te geloven. Ik weet niet wat me overkomt, maar werkelijk, het is hem. Weer duikt hij op. Hij haalt me in. Zijn rode lichtjes stralen. Het is alsof hij me met open armen staat op te wachten. En ik stort me er in. Nu geef ik alle weerstand en alle twijfel op. Vanuit het niets geef ik me over. Ik hoef me niet langer waar te maken, ik hoef niet langer te luisteren naar de stem van mijn hoofd, maar ook niet naar mijn angst en paniek.
Nu is er iets anders. Ik volg. Ik ben volkomen mezelf en ik volg, omdat dat het meest natuurlijke is dat ik nu kan doen. Ik voel me uitgenodigd. Ik neem de uitgestoken hand aan en voel de steun in mijn rug. Ik kan wel juichen. 'Hij gaat u voor in wolk en vuur', het lied komt in me op. Het doet iets met me. Ik voel me vrij, mijn lijf ontspant zich, ik begin te gapen. Het is alsof ik aankom bij een stil meertje. Van binnen krijgt de natuur haar kleur terug. Ik kan weer zien. Er hoeft niets meer, het is goed. Zelfs het woord 'verrijzenis' klinkt nu vertrouwder, alsof het past bij wat ik nu meemaak.

Opnieuw geboren
Zo kom ik veilig de tunnel door. In de stad moet ik rechtsaf en ga mijn eigen weg. 'Dank je wel, Christus', mompel ik. En ik weet dat ik het zo moet zeggen. 'Dank je wel, Renault' zou te weinig zijn. Ik kom heelhuids op mijn werk aan, anders heel dan toen ik vertrok. Er is ruimte in me en om me heen. Als ik binnen ben zoek ik het lied op, dat ik zong, woorden van Willem Barnard. Zo gaat het verder:

Een lied van uw verwondering,
dat nog uw naam niet onderging,
maar weer opnieuw geboren is
uit water en uit duisternis…
uit dichte mist!

Elske Cazemier ( 56) werkt als geestelijk verzorger en woont in Alkmaar. Haar inzending heeft van de jury van de Volzin-schrijfwedstrijd 2016 een eervolle vermelding ontvangen.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda