FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
woensdag, 02 November 2016 09:17

Een lofzang in tijden van verdriet en pijn

Joods graf; nabestaanden leggen daarop steentjes. Joods graf; nabestaanden leggen daarop steentjes. Tekst: Marjoleine de Vos, Beeld: ANP Foto

Uiteindelijk hebben we de dood te aanvaarden. Maar makkelijk gaat ons dat niet af. Toch spreken joden aan het graf een lofprijzing uit. “Kaddisj zeggen is een werk dat je doet om het verdriet draaglijk te maken doordat degene die het zegt zichzelf in een andere houding zet, een van aanvaarding van het leven, van viering, ook nu er niets te vieren valt.”

De negentigjarige man die verschrikkelijk lijdt onder het verlies van zijn vrouw wil niet meer verder leven. “Die enorme eenzaamheid, dat is niet voor te stellen, je kunt de mensen niet vertellen hoe eenzaam het is.” Hij doet zijn best zegt hij. Hij gaat naar muziekuitvoeringen, gaat met een vriend naar de bowlingbaan en drinkt daar gezellig koffie met anderen. “Dan ben ik er even uit.” Maar het helpt niet. “Elke dag dat ik nog leef, is voor mij een straf.”

Voorbeeldige dood
Hij was te zien in een documentaire over oud zijn. Je hoort het wel vaker van heel oude mensen, dat ze het wel mooi geweest vinden. Ze hebben lang genoeg geleefd. Ze zouden de dood als een verlossing beschouwen, er is immers bijna niemand meer over van vroeger, ze kunnen nog maar weinig en willen ook niet veel meer, ze zitten hun tijd uit. Ook zieken die veel pijn hebben en zeker als ze niet meer te genezen zijn, kunnen naar de dood verlangen. Voor zulke mensen is de dood een vriend.
Voor de meesten van ons is hij dat helemaal niet, noch als hij voor ons komt, noch als hij voor een ander komt. Het is geen wonder dat allerlei culturen, ook de onze, manieren hebben gezocht om ons met de dood te verzoenen. De middeleeuwse ars moriendi leerde de mensen hoe te sterven, waarbij het meer in het bijzonder om het zielenheil ging: de ziel moest ongehinderd kunnen opstijgen uit het lichaam en niet snel nog door de duivel gekaapt worden. Bijvoorbeeld door ongeduld te tonen, door het lot of God te vervloeken, door hovaardig te denken dat men eigenlijk een prima kerel was geweest of juist in wanhoop het geloof op te zeggen. Mooi en rustig sterven werd en wordt aanbevolen, van Socrates’ voorbeeldige dood tot de steeds van zijn ervaringen lerende filosoof René Gudde, die weliswaar over de moeilijkheden en het verdriet sprak, maar intussen toch anderen aanwijzingen gaf hoe dit proces te doorlopen.

Niet accepteren
Uiteindelijk, dat weet iedereen, heeft men de dood te aanvaarden. Niemand krijgt dispensatie.
Maar dat wil nog niet zeggen dat we dat ook werkelijk doen. Onze eigen dood niet, en die van een geliefde evenmin. Ook als de beminde stervende zelf verzoend zegt te zijn met zijn lot, accepteren de naasten dat lot niet. En terecht, de dood van iemand die je zeer na staat is zo pijnlijk dat het niet overdreven is om van een schandaal te spreken.
En accepteren, aanvaarden, wat mag dat betekenen als je een groot gat ziet en voelt, als je, zoals de hierboven geciteerde 90-jarige meneer, niets dan gemis en eenzaamheid ervaart en geen vooruitzicht? Ook wie geen negentig is kan zich soms alle zin voelen ontglippen bij de dood van een geliefde. Waarom zou je doorleven, waarom zou wat dan ook doorleven als die ene het licht van de zon niet meer ziet? Vooral als mensen eerder gaan dan je ‘redelijk’ vindt – als zou je iets te vinden hebben – is het moeilijk om te aanvaarden. Au fond is er geen ‘redelijk’. Er is de zekerheid dat we sterven, er is het vermoeden dat ons leven betekenis krijgt juist dóór die eindigheid, maar dat neemt niet weg dat elke dood, ook van de oude grootmoeder, ook van de al zo lang lijdende zieke, voelt als een onverdraaglijk feit.

Verlangen naar ontroostbaarheid
Multatuli schreef in zijn Ideën over de noodzaak, of het vanzelfsprekende van berusting:
“‘Heden overleed ons jongste kindje. Ofschoon diep getroffen, wenschen we te berusten. Wy buigen ons onder Gods hand...’
Ik verzeker u dat ik altyd berust in den wil van myn god, dat ik me altyd buig onder den wil van myn god, en dat ik vèr loopen zou om 't zeer kurieus schouwspel te zien van iemand die niet boog onder de Noodzakelykheid, van iemand die niet berustte in haar wil.
Nooit heb ik in den oprechten Haarlemmer, die zoo byzonder ryk is in zulke vrome ontboezemingen, gelezen: ons kindje stierf, maar we laten 't er niet by.”
In die laatste zin schuilt iets ontegenzeggelijk grappigs, omdat je dan ineens voelt dat het onzin is om niet te buigen voor het lot. “We laten het er niet bij.” Dat is potsierlijk.

 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda