FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 24 October 2016 09:20

Muziek maakt het dode woord levend

Tekst: Jan Hage Tekst: Jan Hage Beeld: ANP Foto

Luther is niet alleen kerkhervormer maar ook van groot belang voor de wereld van de muziek. Duitse muziek van de zestiende tot de achttiende eeuw, met als belangrijke vertegenwoordigers Heinrich Schütz, Dietrich Buxtehude, Johann Sebastian Bach en zovele anderen, kwam voort uit de positieve, gulle houding die Luther ten opzichte van muziek aannam. Muziek is voor hem een van Gods grootste geschenken aan de mensheid.

Vergeleken met andere reformatoren als Calvijn en Zwingli waardeert Maarten Luther muziek opmerkelijk positief. Muziek krijgt van hem in kerk en eredienst een royale plaats. Hij is in muzikaal opzicht een kundig man die zijn waardering uitsprak voor de muziek van componist Josquin des Prés en zelf een kort motet componeert. Centraal staat bij hem de gedachte dat muziek een scheppingsgave van God is en daarom in principe goed. Zij is van de aanvang van de wereld af tegelijk met alle andere creaturen geschapen, is niet door mensen uitgevonden. Luther stelt haar voor als een abstracte persoon: Vrouwe Muziek.

De duivel verjagen

Alleen al het feit dat de muziek een van de grootste geschenken Gods aan de mensheid is, verplicht volgens Luther de kerk om deze tot haar recht te laten komen. Muziek heeft, verbonden als ze is met de natuurlijke, goddelijke orde, een ordenende en helende kracht. Daarin is zij verwant aan exorcisme: zij verjaagt de duivel en de Trauergeister en schept vrolijkheid, zoals het evangelie dat ook doet. Om die reden bekleedt de muziek volgens Luther ‘de eerste plaats na de theologie’. Hoewel muziek als zodanig als ‘goed’ beschouwd mag worden, brengt Luther wel een hiërarchie aan  in de verschillende muzikale niveaus, van de meest elementaire vormen van klank via de zang tot aan de zogeheten kunstmuziek. Deze musica artificialis, de hoogste vorm van muziek, is volgens Luther in haar polyfone rijkdom een beeld van de niet te bevatten wijsheid Gods en in het samengaan van de verschillende stemmen beeld van een hemelse dans. Vanwege de positieve kwaliteiten van muziek als scheppingsgave krijgt muziek bij Luther een prominente plaats in de kerk. Voor de angst van bijvoorbeeld Augustinus dat de muziek het woord zou kunnen overvleugelen (een angst die gedeeld werd door Calvijn) heeft Luther geen begrip. Zijn beeld van de werking van de muziek is zo positief dat het misbruik ervan – een mogelijkheid die hij erkent  –  daar niet tegen opweegt. Opvallend is dat de muziek op zich deze rol al kan vervullen, dus zonder eigenlijke binding aan het woord Gods. Luther maakte dan ook geen scherpe scheiding tussen muziek die wel of niet in directe zin in dienst van het evangelie staat: muziek op zich staat ongemerkt altijd al in dienst van het evangelie. Omdat de musica artificialis de hoogste vorm van muziek is en voor God alleen het beste goed genoeg kan zijn, is deze muziek idealiter het meest geschikt voor de kerk. Wel is deze muziek veeleisend voor de uitvoerders. Zij kan daarom alleen worden uitgevoerd door een gespecialiseerd en muzikaal getalenteerd deel van de gemeente. Naast de gemeentezang, waaraan elke gelovige geacht wordt deel te nemen,  is daarom het bestaan van een kerkkoor noodzakelijk.

Levende stem

Hoewel zij als scheppingsgave op zichzelf al een positieve waarde heeft, krijgt muziek volgens Luther in combinatie met het Woord Gods haar uiteindelijke bestemming. Daarmee betreden we het terrein van de kerkmuziek. Deze bestemming krijgt gestalte in de lofprijzing, het zingen als onmisbaar antwoord van de gemeente op het evangelie, kenteken en proefsteen van het geloof. Luther wil de continuïteit van de ware apostolische kerk herstellen, waarin de gemeente een plaats krijgt als partner in de liturgie. Dat streven betekent dat dat de gemeentezang, in de vorm van het strofische lied, een belangrijke plaats krijgt in de eredienst. De melodieën daarvan zijn in Luthers tijd nog al een vereenvoudigde versies van het gregoriaans. Daarnaast heeft muziek in de kerk een verkondigende waarde naast het gepredikte Woord en het zichtbare Woord van het sacrament. Behalve door de prediking kan het Woord ook door muziek – als viva vox evangelii, levende stem van het evangelie – tot klinken worden gebracht. Luther past zijn vaak gehanteerde tegenstelling van de wet en het evangelie – ‘wet’ staat voor: de strenge en oordelende kant van de bijbelse boodschap, ‘evangelie’ voor  de genadige en bevrijdende kant daarvan – ook toe op de relatie tussen woord en muziek. Zonder de Heilige Geest is het woord niet evangelie, alleen maar kille wet. De Geest gebruikt muziek als middel om het op zich dode woord levend te maken. De verkondigende waarde van muziek heeft daarbij ook een missionaire functie: de muziek kan de tekst kracht bijzetten en zo sterker in hoofd en harten van de luisteraar laten werken. Nieuw in vergelijking met de kerkmuzikale situatie van de kerk in eerdere tijden is bij Luther het gebruik van de volkstaal. Dat bevordert de communicatie met de luisteraar.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda