FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 25 August 2016 14:48

Vreemdeling en toerist in Parijs

Tekst: Nico Keuning Tekst: Nico Keuning Beeld: Hollandse Hoogte & Nico Keuning

Schrijver Willem Frederik Hermans (1921-1995) ontvluchtte in 1973 de 'mandarijnen' van de Nederlandse letterkunde en verhuisde naar Parijs. Hij zou er bijna twintig jaar blijven wonen, maar ook in Parijs bleef hij een buitenstaander, een vreemdeling, 'een toerist'. Schrijven betekende voor hem wraak nemen. Zo schiep hij een eigen universum. Nico Keuning volgt het spoor terug.

Parijs is mooi als het regent. Door de regen verdwijnen de kleuren uit het straatbeeld. Het decor is grijs, zwart-wit als op foto’s en in films uit de jaren vijftig. Af en toe duikt er iemand met een paraplu op uit het trapgat van een metrostation. Op de stoep liggen plassen. Auto’s passeren met slissende banden over de Boulevard Saint Germain-des-Prés. “Ik zit op het terras van de Brasserie Lipp, dat met raamwerk is afgesloten, maar de regen wordt door de reten langs het glas naar binnen geblazen,” schrijft Willem Frederik Hermans in het verhaal Het grote medelijden uit Een wonderkind of een total loss. In het verhaal is Richard Simmillion het autobiografisch alter ego van de schrijver. Richard is een eenling uit noodzaak. “Angst is het vruchtwater waarin ik ondergedompeld ben.” Als kind op de lagere school stuitte hij al op de ‘massieve solidariteit van de dommen’, zoals Hermans schrijft in De elektriseermachine van Wimshurst. Richard (Hermans) wil zich bewijzen, zijn genialiteit laten zien. Maar alles wat hij doet, mislukt door de tegenwerking van anderen. Niet in de laatste plaats door zijn ouders. Moedwil en misverstand hebben Richard (de latere schrijver Hermans) weerbaar en strijdlustig gemaakt. Hij is ‘met niemand solidair’. “Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie,” luidt de slotzin van Het grote medelijden.

Eigen universum

Hermans wil zijn kracht laten zien in het domein waar hij heer en meester is. Niet onder professoren in Groningen, waar hij vijftien jaar lector fysische geografie was, maar in de literatuur. Om te ontsnappen aan de ‘mandarijnen’ van de Nederlandse letterkunde verhuist hij in november 1973 naar de rue Théodule Ribot in het sjieke 17de arrondissement van Parijs, vlakbij de Étoile met de Arc de Triomphe. Het grande Paris, de stad van de grote schrijvers. In zijn gymnasiumtijd in Amsterdam las de jonge Hermans, woordenboek bij de hand, Stendhal en Baudelaire al in het Frans. En later onder anderen Flaubert, Proust, Céline. Ook zo’n schrijver van de haat die tegendraads, eigenzinnig, in grootse stijl zijn eigen universum schiep. Hermans en zijn vrouw Emmy Meurs woonden op het nieuwe adres op de vijfde verdieping. Op de zesde, de hoogste verdieping, bevinden zich de vroegere maisonettes, de dienstbodekamertjes. Op deze zolderkamer wonen ‘zwartgekleurde mannen’, die ’s nachts herrie maken en het hele weekend Afrikaanse muziek laten schallen. Het decor keert terug in Au pair, de enige roman van Hermans die in Parijs speelt. Hoofdpersoon Paulina betrekt als au pair aanvankelijk een zolderkamer aan de rue Verniquet: “Iemand had een geluidsinstallatie aangezet en jankende Arabische muziek begon te weerklinken.” Hermans heeft zijn ergernis minutieus beschreven in de woorden van Paulina: “Ze zou ook, als ze de klanken die ze hoorde met woorden zou moeten beschrijven, er niet veel anders over kunnen zeggen dan dat het een voortdurend driftig klagen was, hoog beginnen, laag eindigen, een onontkoombaar afdalen in mineur, tientallen, honderden malen opnieuw. Een vrouwenstem, begeleid of aangevuurd door radeloze snaarinstrumenten.” En zo kijkt Paulina met de ogen van de schrijver naar de ‘Triomfboog van de Étoile’: “Nutteloze poort, die nergens toegang toe verleende, of juister: alleen maar tot een gebied waar je ook kon komen door niet onder de poort door te lopen, maar er omheen. Een poort in een niet bestaande muur, is een als een slot zonder deur.”

Sombere wandelaar

De verhuizing van Hermans naar Parijs valt samen met zijn optreden vanaf 29 december 1973 als columnist Aage Bijkaart in Het Parool. De titel Boze brieven van Bijkaart, waarin de columns later werden gebundeld, wekken de indruk dat er voortdurend een vileine Hermans aan het woord is, maar de columns komen uit de pen van een milde mopperpot. De columns geven inzicht in zijn leven in Parijs, waar hij na enige tijd niet alleen goed de weg weet, maar waar hij ook de geschiedenis kent van belangrijke plekken, bibliotheken, personen achter beelden en straatnamen. Veel van zijn wandelingen, zijn observaties en kennis keren terug in Au pair. Hermans heeft altijd een goed oog gehad voor zijn omgeving. Dat blijkt uit al zijn boeken. “Mijn grootste ongeluk is dat ik niet als machine ter wereld gekomen ben en dat ik niet met licht kan schrijven als een fototoestel,” schrijft hij in Preambule (VII) die als inleiding is opgenomen in de verhalenbundel Paranoia. Hermans kijkt en laat zich daarbij leiden door zijn kennis van geschiedenis, kunstenaars, dichters en schrijvers.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda