FacebookTwitterLinkedIn
woensdag, 13 July 2016 13:39

Leven tussen ironie en geloof

Leven tussen ironie en geloof Tekst: Sjoerd van Hoorn

Op 2 februari 1839 schrijft een student in de theologie in zijn dagboek een ode aan een meisje. Ze heet Regine. “Jij heerseres van mijn hart – ‘Regina’ – diep verborgen in de geheime kamers van mijn hart, in mijn rijkste innerlijke gedachte, daar vanwaar het even ver is naar de hemel als naar de hel – onbekende godheid! O, kan ik werkelijk vertrouwen op de dichters die ons vertellen dat we, als het object van onze liefde voor het eerst zien, denken dat we haar ooit al veel eerder hebben gezien, dat alle liefde net als alle kennis een herinnering is, dat ook de liefde bij ieder afzonderlijk individu zijn profetieën heeft, zijn voorbeelden, zijn Oude Testament? (…) Jij blinde God van de liefde! Jij die mijn diepste geheimen kan doorzien, zul je je openbaren? Zal ik vinden wat ik zoek, hier in deze wereld, zal ik de conclusie van de excentrische premissen van mijn leven nog beleven, zal ik jou in mijn armen sluiten, – of luidt het bevel: verder? Ben je mij vooruit gegaan, jij mijn verlangen, wenk je mij getransfigureerd vanuit een andere wereld? O, ik wil alles van me afwerpen om licht genoeg te worden om jou te volgen.”  De echo’s van Dante’s poëzie voor Beatrice en Plato’s visie van kennis als de herinnering aan de ideeën die ooit door de ziel zijn gekend, zijn onmiskenbaar. De verliefde student roept zich de Europese verbeelding van de liefde voor de geest om uitdrukking te kunnen geven aan zijn gevoelens. Er schuilt ook twijfel in deze extatische regels. De biograaf van de student schrijft: “In deze regels klinkt een ademloos geluk door, maar ook een zekere weemoed, alsof hij al afscheid aan het nemen is omdat het bevel inderdaad ‘verder’ luidt en Regine nooit meer zal worden dan stof van de efemere soort waarvan alle grote dichtwerken gemaakt zijn.” (Ook de biograaf kent zijn Shakespeare: “We zijn het soort stof waarvan dromen zijn gemaakt”). Søren Kierkegaard, want zo heet de student, zal zijn verloving met Regine Olsen verbreken, naar hij zegt om te kunnen schrijven. Schrijven deed hij, deze gekwelde theoloog die in veel opzichten eerder filosoof was, deze christen die een niet aflatende polemiek voerde tegen de ‘oneigenlijkheid’ van de Deense kerk.

Somber huishouden

Søren Kierkegaard werd geboren in 1813 in een van zelfverzonnen mythes en ongeluk doortrokken familie. Zijn vader Michael Pedersen Kierkegaard, van arme schaapherder uit Jutland opgeklommen tot welvarend wolhandelaar in Kopenhagen, had als jongeman Godvervloekt en vervolgens twee echtgenotes en vijf kinderen naar het graf had moeten dragen. Michael Kierkegaard meende dat hij ertoe veroordeeld was al zijn kinderen te overleven. Søren en zijn oudere broer Peter Christian groeien dan ook op in zeer godsdienstig en somber huishouden. Peter Christian zal bisschop in de Deense lutherse kerk worden, Søren de wellicht voornaamste criticus van diezelfde kerk. Beide jongens studeren theologie. Søren leidt een tijd lang het leven van een dandy. Hij geeft het equivalent van het jaarinkomen van een hoogleraar uit aan onder andere zijden sjaals, wandelstokken, drank en sigaren (hij koopt er hele kisten van). Hij verkeert in de kringen van J.L. Heiberg, een gezaghebbende filosoof die met een beeldschone actrice getrouwd was. Als gymnasiast stond Kierkegaard al bekend om zijn spotlust en scherpe tong, kwaliteiten – of hebbelijkheden) die hij als student verder ontwikkelt. Aan de theologische faculteit van de universiteit van Kopenhagen wordt hij gevormd in de protestantse theologie die sterk leunt op de filosofie van Friedrich Schleiermacher. De academische taal was nog steeds het Latijn. Kierkegaard is in 1840 een van de eerste Deense wetenschappers die een proefschrift in het Deens mag schrijven, zij het dat hij dit werk, Over het begrip ironie, tegenover de promotiecommissie wel in het Latijn moet verdedigen, wat hij met glans doet.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda