FacebookTwitterLinkedIn
dinsdag, 07 June 2016 16:24

God is een werkwoord

God is een werkwoord Tekst: Tobias Reijngoud

De vraag of God bestaat of niet, is kinderachtig en bovendien niet erg relevant. Waar het om gaat is de vraag of ik zélf in staat ben om God in mijn leven te creëren. God schept míj niet, ik schep hém. Of niet natuurlijk, de keuze is aan mij.

Als kind dacht ik: God is een oude wijze man op een wolk. Hij heeft de wereld en mij geschapen. Hij let op me en beschermt me. Als puber wist ik echter: God bestaat niet, en áls hij al ooit bestaan heeft dan is hij nu in elk geval zo dood als een pier. Inmiddels ben ik 45 en realiseer me dat de vraag of God al dan niet bestaat, er eigenlijk niet toe doet. Want of ik nou in zijn bestaan geloof of niet, waar het om gaat is de vraag of ik in staat ben om hem na te volgen. Kan ik doen wat hij doet – of in elk geval doen wat er over hem geschreven wordt? Deze vraag geldt niet alleen voor mij, hij geldt voor iedereen. Ook voor atheïsten, sorry… Die noemen het navolgen van God alleen anders. Medemenselijkheid bijvoorbeeld. Of duurzaamheid.

Doen

Wanneer ‘geloven in God’ in feite het ‘navolgen van God’ wordt, lost religie als het ware op. En dat maakt het alleen maar relevanter. Religie is dan niet langer iets losstaands. Niet langer iets voor alleen op zondagmorgen in de kerk, of voor tijdens de wekelijkse meditatiecursus. In tegendeel, wanneer navolging centraal staat, wordt religie onderdeel van het leven. Of beter: wordt het de houding waarmee je in het leven staat. Elke dag, elk uur. Geloven is dan niet langer iets vrijblijvends. Het is hard werken.

Het kerkbezoek in Nederland loopt terug. Dat bleek eerder dit jaar nog maar weer eens uit het rapport God in Nederland. 82 procent van de Nederlanders komt nooit of bijna nooit in de kerk, en een kwart noemt zichzelf atheïst. Ook het aantal mensen dat zich spiritueel noemt loopt terug en bedraagt momenteel 31 procent. Eerder was dat ruim 40 procent.  
Wat is de betekenis van deze ontwikkelingen? Die lijkt beperkt, want wérkelijk geloven heeft weinig te maken met de vraag hoe vaak je in de kerk komt of in hoeverre je in je vrije tijd bijvoorbeeld boeddhistische literatuur bestudeert. Geloven is doen en God is een werkwoord. Want als ik hem zélf wil vormgeven in mijn leven, dan moet ik flink in de pedalen. Veel meer dan wanneer ik zou zeggen: God is gegeven en hij bestaat als een soort kracht buiten mij, hij beschermt me en heeft me misschien ook wel geschapen. Dat is lekker vrijblijvend. Maar werkelijk geloven is dóen. Vrij naar John F. Kennedy: “Vraag niet wat God voor jou kan doen, maar wat jij voor God kunt doen.”

Genesis

God navolgen dus, dat staat ons te doen. Maar wat dóet God eigenlijk? Voor het antwoord op die vraag hoef je niet eerst jarenlang theologie te studeren. Met het lezen van de eerste regels van de Bijbel kom je al een heel eind. Want daar staat dat God orde in de chaos brengt, dat hij licht schept en planten laat ontkiemen. Als kind dacht ik dat Genesis een soort verslag is van het ontstaan van de wereld. Maar dat is natuurlijk onzin, of in elk geval onbewijsbaar. Bovendien heeft de wetenschap over dat ontstaan veel geloofwaardiger theorieën.
Genesis is geen verslag, maar iets veel belangrijkers. Het is niets minder dan een opdracht aan ons: schep orde in de wereld en breng licht in de levens van mensen. In andere woorden: help mensen die in verdrukking leven, probeer rust en vrede te brengen in de wereld, ga respectvol om met de natuur, en zorg dat de onenigheid met die boze buurman over de hoogte van de haag niet uit de hand loopt tot een slaande ruzie. Het is zoals Huub Oosterhuis schrijft in zijn Boek van mijn leven: het bijbelse verhaal van Genesis is tot jou gericht en betekent dat de God die de chaos bedwingt, licht roept, en een tuin plant, “jou ten voorbeeld is. Wat God doet in het bijbelse verhaal, dat wordt mij ter navolging bevolen, aanbevolen.”

Auschwitz         

De Joodse schrijfster Etty Hillesum noteert op 12 juli 1942 in haar oorlogsdagboek een gebed van zichzelf. Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, schrijft ze, “maar ik kan van te voren nergens voor instaan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige, waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God.” Dan gaat Hillesum verder, en zegt “dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen.” In plaats van onder te duiken, meldt Hillesum zich niet veel later vrijwillig aan voor Westerbork. Ze wil er haar medegevangen bijstaan. Eind 1943 wordt ze vergast in Auschwitz.
De oproep van Hillesum aan zichzelf is een oproep aan ons allemaal. Aan zowel gelovigen als atheïsten. Welles-nietesdiscussies tussen hen over de vraag of God bestaat, zijn verspilde energie. Want terwijl gelovige Staphorsters en postmoderne intellectuelen elkaar in de haren vliegen, staan er tienduizenden vluchtelingen aan de grens die geholpen moeten worden. Of niet natuurlijk, de keuze is aan ons. En terwijl de discussie tussen gelovigen en atheïsten voortgaat, belt mijn buurman bij me aan, en roept dat ik die haag tussen onze tuinen vandaag nog moet bijknippen want dat hij hem anders morgenochtend vroeg met zijn kettingzaag gaat neermaaien. “En jou erbij!”

Koninkrijk

De zoon van God zegt: Heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen. Eigenlijk zegt hij dus dat je geen vijanden zou moeten hebben. Want als je je zogenaamde vijanden lief hebt, zijn het ineens je vrienden. Gerard Reve beschrijft in Graf te Blauwhuis de grafsteen van een doodgeschoten jongen: “Hij rende weg, maar ontkwam niet, en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud. Een strijdbaar opschrift roept van alles, maar uit het bruin geëmaljeerd portret kijkt een bedrukt en stil gezicht. Een kind nog. Dag lieve jongen.” Dan richt Reve zich tot God, en vraagt lichtelijk verongelijkt: “Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?”
Als puber las ik Reve en dacht bij dit gedicht: inderdaad, God bestaat niet. En dat Koninkrijk… tja… daar kunnen we natuurlijk nog lang op wachten. Maar later las ik de teksten van de middeleeuwse monnik Thomas a Kempis, en realiseerde ik me dat ik zelf aan het werk moet. Thomas a Kempis schrijft: “Het koninkrijk Gods is in u.” De paradijselijke toestand van de hemel op aarde is dus niet iets wat ooit misschien een keer ‘als vanzelf’ gaat komen. Het zal niet ‘uit den hogen nederdalen’. Zo gemakkelijk gaat het niet. We moeten het zelf scheppen. Niet later, maar hier en nu. Door niet te haten, door anderen te helpen, door respectvol met de natuur en de aarde om te gaan, en door God na te volgen. Want God bestaat niet, hij gebeurt. Of niet natuurlijk. De keuze is aan ons.
Wat moet ik nou toch met die buurman en die haag...?

Tobias Reijngoud is journalist en schrijver.

 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda