FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 25 April 2016 14:42

Het universum van de vrije geest

Het universum van de vrije geest Tekst: Nico Keuning Beeld: Ellen Karelse

De Groningste dichter Tonnus Oosterhoff ontving in 2012 de P.C. Hooftprijs. Vanaf dat moment heeft hij zich heropgevoed tot prozaschrijver. Zijn teksten zijn vol beweging, dynamisch, levend. Literatuur is voor hem, in navoliging van de joodse mystiek, een zaak van 'betoverende verbeelding'. Onlangs verscheen zijn even oorspronkelijke als spectaculaire roman 'Op de rok van het universum'. 

Tonnus Oosterhoff (1953) geldt binnen de Nederlandse literatuur als oorspronkelijk en vernieuwend schrijver en dichter. Als ‘fictionaris’ laat hij zowel in proza als in poëzie zien hoe verraderlijk dicht fictie en werkelijkheid bij elkaar liggen, elkaar soms overlappen, soms niet meer van elkaar zijn te onderscheiden. De titel van zijn nieuwe roman Op de rok van het universum is ontleend aan een regel van de dichter-schilder Lucebert waarin deze Vijftiger verwijst naar het besef ‘een broodkruimel te zijn op de rok van het universum’. Een hoofdpersoon als broodkruimel, zo is de roman van Oosterhoff samen te vatten. Een leven, afgezet tegen het wereldnieuws dat zich in de roman presenteert in een wilde sneeuwbui van bestaande en bedachte kranten- en nieuwsberichten die in razende vaart over elkaar heen buitelen.

Overal en nergens

De eerste bladzijden bestaan uit scènes die in alinea’s associatief op elkaar aansluiten. Een poes, een hond, een paard, een ree, weer een hond, een spin, weer een poes, een alligator, een leeuw, een walvis, een slang. Vaak spelen mensen een rol in zo’n korte scène die leest als een gebeurtenis, de essentie van een verhaal: “Een wetenschapper gaat na een onaangenaam verlopen scheiding met zijn nieuwe vriendin in de Everglades varen. Hij wordt door een alligator van zijn moerasboot afgetrokken en verslonden.” De volgende scène is nog in volle gang: “Twee dierenverzorgers poseren naast een manlijke leeuw voor een fotograaf; opeens trekt de leeuw een van hen bij de arm omver. De collega en een leeuwin doen hun best het beest vast te pakken en af te leiden opdat de man kan vluchten.”

De opeenvolgende scènes geven het verhaal vaart, al is er in feite van een verhaal geen sprake. Eerder van verhalen. Honderden verhalen die zich overal en nergens afspelen. Op pagina 17 stappen de eerste personages het boek binnen in rake dialogen. Daar is Oosterhoff een meester in. Met enkele zinnen brengt hij een scène tot leven:

‘Wie hebben we hier?’

‘Hij wil niet praten. Ze hebben zijn mond dichtgelijmd.’

‘Dat kan er ook nog wel bij. Hé! Opa! Eerwaarde!’

‘Hij wil niet praten; hij kan niet praten. Hij spreekt trouwens geen Nederlands.’

‘Gebruikt hij medicijnen? … Gebruikt u medicijnen? …. Do you use drugs? Knikt u maar ja of nee!’

‘Zijn klooster heeft deze gegevens meegegeven.’

‘Bekijk ze. En die bult op zijn kaak, wat is dat?’

‘meneer is zevenenzestig… Geen bloedverdunners… Hij is wel erg mager, vindt u niet?’

Een roman in scènes die de wereld beschrijven. En dan duikt er een naam op: Roelof de Koning. En zijn zus Wies. ‘Roel’ is de hoofdpersoon van het boek. Tussen de talloze scènes schrijft Oosterhoff een roman waarin de jeugd, middelbare schooltijd, studententijd, het volwassen leven, dierenartspraktijk, ziekte en dood van De Koning worden beschreven. In de chronologie wordt van verschillende perioden (M-brigadier jaren vijftig, gymnasium jaren zestig) een prachtig tijdsbeeld gegeven. Oosterhoff had er een klassieke roman van kunnen maken. De verspreide hoofdstukken zijn sterk, hilarisch en, aan het eind als De Koning longkanker heeft, soms aangrijpend.

Maar Oosterhoff wil meer. Hij wil de waanzin van de wereld beschrijven, waarin De Koning enige tijd heeft rondgedoold. Een kiertje licht tussen twee eeuwigheden van duisternis, om met Nabokov te spreken. Oosterhoff schrijft zelden een traditioneel verhaal. Soms, zoals het eerste verhaal in de verhalenbundel Dans zonder vloer (2003), dat  weliswaar na een reactie van een tijdschriftredactrice in cursief, een tweede, ander slot krijgt. Zijn proza is altijd in beweging in een wisselende context, geschreven vanuit verschillende perspectieven. Hierin is hij sterk beïnvloed door Bruno Schulz, de Pools-Joodse schrijver en graficus die in 1942 op vijftigjarige leeftijd door de Gestapo werd doodgeschoten.

Golf na golf

In de essaybundel Ook de schapen dachten na (2000), waarin Oosterhoff onder andere aangeeft wat Tsjechov tot een groot schrijver maakt, geeft hij de volgende beschrijving van het proza van Schulz die tevens een typering is van zijn eigen werk: “Schulz’ exuberante stijl, zijn metamorfosenwaterval blijken precies geschikt om dit universum van voor het onderscheid tussen ‘fantasie’ en ‘feiten’ op te roepen. De lezer herkent het, de vitaliteit die door alles heen bruiste. Wat glanst elk detail betekenisvol! Zo was, zo is het precies!”

Oosterhoff maakt evenals Schulz gebruik van herhaling, van steeds terugkerende elementen: “Al dit geherhaal verveelt niet; integendeel, het heeft een rustgevend, harmonieus effect. Schulz lezen (Oosterhoff lezen, NK) wordt zoiets als aan zee staan. Golf na golf spoelt aan, wolk na wolk drijft over.”

In het essay Het Boek bestaat maar laat zich niet schrijven gaat Oosterhoff nader in op zijn literair adagium: “Mijn voorstelling van ideale literatuur ontleen ik aan de betoverende verbeeldingen van de joodse mystiek over de thora, zoals die beschreven staan in het werk van Gershom Scholem.” Immateriële letters van de Thora monden door een proces van materialisatie ‘verdichtend tot namen van God en aanroepingen tot Hem’, uit in uitspraken over aardse gebeurtenissen en zaken. Voor de literatuur van Oosterhoff geldt: als er iets gebeurt rijgen de letters zich aaneen tot een tekst, een verhaal, een roman. Zo wordt literatuur evenals de Thora een ‘levend organisme’: “Volmaakte literatuur wordt niet geschreven, maar ontstaat aan de wereld en verandert daarin.”

In een Vpro-radio-uitzending van De Avonden van juli 2013 vertelt Oosterhoff aarzelend over het schrijven van proza. Hij is zich aan het heropvoeden als prozaschrijver. Elke dag een bladzijde: “Dat gaat ooit heel veel pagina’s worden. Het geniale daarvan hoop ik eruit te vissen. Dat wordt langzaam aan een schitterende roman. Ik hoop dat het zo gaat.” Hij leest twee bladzijden voor die, zo blijkt nu, de selectie hebben overleefd en in de nieuwe vierhonderd bladzijden tellende roman terecht zijn gekomen.

 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda