FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
maandag, 18 April 2016 15:29

'Je kunt altijd naar het licht'

'Je kunt altijd naar het licht' Tekst: Frieda Pruim Beeld: Christiaan Krouwels

Veertig jaar droeg hij de dood van zijn vader diep weggestopt met zich mee. Pas vier jaar geleden kwam het verdriet in alle hevigheid naar buiten. In zijn nieuwe voorstelling ziet Kees Posthumus raakvlakken met deze ervaring. “Net als Jakob wilde ik gezien worden.”

 “Wil je Jakob neerzetten als minkukel of als geslepen figuur”, vraagt een vriend van Kees Posthumus na afloop van een open repetitie van List & bedrog, de Jakobverhalen in een Apeldoornse kerk. Het is een maand voor de première op 6 april. Posthumus vertolkt Jakob als een nasaal sprekend moederskindje dat dol is op koken en stikjaloers op zijn stoere tweelingbroer Ezau, de lieveling van zijn vader.

“Als ik Jakob was, was ik met mijn vader gaan praten in plaats van me als Ezau voor te doen om te worden gezegend”, zegt Posthumus twee dagen later bij hem thuis in Apeldoorn. “Toen ik aan dit stuk begon, keek ik tegen Jakob op als een van de drie aartsvaders. Inmiddels is hij veel menselijker voor me geworden. Maar ondanks al zijn gebreken gaat via hem het verhaal van God verder. Daarmee laat ik zien dat ook wij geen heiligen hoeven te zijn om onze weg met God te gaan.”

Enorme pijn 

Kees Posthumus groeide op in een hervormd gezin in Rhenen, met een oudere zus. De kerk waartoe ze behoorden, was gesticht door een evangelist met een open blik. De dominees die na hem kwamen werden steeds zwaarder, tot het zelfs Posthumus’ ouders te gortig werd. Vader werkte in een wolfabriek. Posthumus vond het jammer dat er thuis geen kranten en boeken werden gelezen en er geen piano was, maar belangrijker vond hij dat zijn ouders van hem hielden. Hij laat een zwart-witfoto zien van zijn moeder die haar hand op de buik van de kleine Kees houdt; de hand van Kees ligt daar bovenop. “Ik was geliefd, mocht er zijn. Dat gaf me het vertrouwen om later de dingen te doen die ik wilde, ook als ze buiten de gebaande paden van mijn familie gingen.”

Op zijn dertiende overleed zijn vader tijdens de zomervakantie voor zijn ogen. “Hij viel en hij was dood. Niet te bevatten. Daarna draaide alles om mijn moeder. Niemand besteedde aandacht aan mij, behalve een tante die zei: ‘Je moet lief zijn voor je moeder, want ze is heel verdrietig.’ Pas vier jaar geleden realiseerde ik me dat. Ik had zeven uitvaarten in één jaar geleid in onze basisgemeente, en dat ging me een beetje op mijn nek zitten. Toen ben ik naar Nico Sjoer gestapt, de predikant van een kerk bij me om de hoek. Ik zei: ‘Jij staat ook regelmatig aan een graf. Hoe hou jij de dood van je af?’ Binnen een half uur had hij mijn echte vraag te pakken. Al pratend kwam ik erachter dat mijn verdriet over de dood van mijn vader nooit was gezien. Dagenlang kon ik alleen maar huilen. In mijn onderbuik bleek een enorme pijn te zitten die ik veertig jaar met me had meegedragen.

Met Nico ben ik teruggegaan naar de plek in Den Haag waar mijn vader is gestorven. We hebben er een tekst gelezen en gebeden. Daarna vroeg Nico me een brief te schrijven aan het jongetje dat ik was toen mijn vader overleed. ‘Als je over je vader wilt praten, kom maar’, schreef ik. Een neef las me later die brief op de Grebbeberg voor. Prachtig. Het deed me denken aan het verhaal over de Uittocht van Egypte, dat me al zo lang heel dierbaar is: je hoeft niet te blijven in je angst of verdriet, je kunt altijd naar het licht. Dat is zeker niet makkelijk, maar het is me gelukt. Jarenlang durfde ik nauwelijks te gaan slapen, uit angst de volgende dag niet meer wakker te worden. De dood vind ik nog steeds een heel stom idee, maar die angst ben ik kwijt.”

 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda