FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 07 April 2016 15:50

Een lege troon

Een lege troon Tekst: Huub Oosterhuis Beeld: Martijn van den Bemt

'Wolf en lam'heet het nieuwe boek van Huub Oosterhuis. De gelauwerde lieddichter (82) beproeft daarin een voor hem geheel nieuw genre: religieuze sprookjes, parabels over God, niet in traditionele theologische taal maar zoals al zijn werk verrassend actueel. in deze aflevering van Volzin een voorpublicatie, de parabel 'Een lege troon'. 'Wolf en lam' verschijnt half april bij uitgeverij Ten Have (192 blz., €21,99)

 

Heb ik ooit engelen geschapen? Nooit. Niet één. Ik heb ook geen mensen geschapen. Mensen hebben engelen bedacht. En mij. Maar anders dan ik ben.

Veertien miljard jaar geleden klapte ik, zo zacht ik kon, in mijn handen en sprak: ‘Kome wat komt.’ Dat wordt de oerknal genoemd.

Daarna verzonk ik in een diepe slaap.

Ik vermoedde dat er veel gebeuren zou terwijl ik sliep. Alles onvoorstelbaar maar wel echt. Uit niets werd iets dat weer niets werd maar niet helemaal: zo is ons universum ontstaan, snel en overvloedig groeide het, in hitte van tien miljard graden Celsius – alles over ons universum heb ik van mensen geleerd, ik weet dat ik het nooit begrijpen zal.

Zal het heelal uitdijen of instorten – dat was de grote vraag, in den beginne, en is het nog: zal het ooit instorten als het te wijd is uitgedijd? Of dijt het eeuwig uit en wordt het steeds kouder? Stoot het dan op andere heelallen, nu nog onbekende, zullen wij dan nieuwe oerknallen horen, ontstaat er een superheelal? Ik bewonder alles wat geschieden zal in de onmetelijke ruimte.

Vier en een half miljard jaar geleden begon de wording van de aarde, vanuit de zonnenevel. Alsof het gisteren was. De oudste gesteenten op aarde gevonden zijn vier miljard jaar oud. Arme aarde, gebombardeerd door kometen en meteorieten – en zo zou het blijven tot op vandaag.

Ik zeg het nog maar een keer: ik had er geen deel aan, geen schuld, geen verdienste. Ik heb het gezegend. Ook toen de maan ontstond en het water bij oceanen tegelijk uit de buitenste ijsschotsen van het zonnestelstel stortte – ik hoop dat ik het goed begrepen heb.

Droomloos slapen was mijn grootst geluk. Maar soms drong de werkelijkheid in dromen tot mij door: toen het allerkleinste wezen ontstond dat zichzelf kon vermenigvuldigen, het onlangs tot godin verheven DNA-molecuul. En hoe wrede ijstijden de aarde bedolven, sneeuwbal-aarde. Maar ook dat zij daarna uit haar dak ging in onbeschrijfbare plantengroei, woeste bloemengordels, ruisende lelievelden en boomkruinen tot in de wolken; en toen was het ogenblik gekomen dat de ozonlaag het aardoppervlak omhulde – wat zou er zonder haar van ons geworden zijn?

Ik ontwaakte van het zoemen van insecten, de geur van natte bladeren, het dreigend opstaan van gebergten. Van verre hoorde ik de zeeën zich openen… en toen, ik had ze niet aan zien komen, waren daar de dinosauriërs, grote en kleine en allemaal even dom en arrogant. Hun komst stelde mijn geduld op de proef. ‘Schiet een beetje op,’ kon ik niet laten soms te mompelen.

Maar mammoeten en wolharige neushoorns vond ik leuk, zelfs lief; en veel, veel later de bonobo’s en chimpansees, zes miljoen jaar geleden alweer.

Mens gedenk: al jouw miljoenen gestorven neven.

Onheuglijke tijd later komt in een winternacht een Rechtop Gestrekte naar mij toe, een laaiende vlam in zijn hand. Hij beweegt zijn lippen en diep uit zijn keel slaat hij klanken uit, ik verbeeld mij ‘Ben jij god?’ te verstaan. Ik heb nadien nooit meer lang en diep geslapen.

Was de Rechtop Gestrekte de eerste homo? Grote bijlen maakte hij, uit vuursteen. Vrijwel zeker lijkt, dat weer onheuglijke tijden later de homo sapiens, de wetende, ook wel ‘de moderne mens’ genoemd, zijn sporen trok over het aardoppervlak. Mooie momenten: vanuit Zuid-Afrika naar het Midden-Oosten; naar Zuidoost-Azië en West-Europa. Ik zag ze voorbijtrekken aan de horizon. En naar Australië, in woeste zeebestendige boten. En weer later naar Noord- en Zuid-Amerika.

Eeuw na eeuw zag ik geboren worden de voorgeslachten van de nu-levenden en plotseling waren ook Heydrich en Eichmann geboren.

Ik ga te snel. Zesduizend jaar geleden, nog maar net, kwamen drie lichtluchtige wezens mij in Madagaskar bezoeken, gevleugeld. Ik verbleef het liefst op Madagaskar, toen nog niet door mensen bewoond.

Te midden van ontelbare soorten gedierte was ik gelukkig. In een taal die ik maar moeilijk verstond, vroegen ze mij een troon te aanvaarden in de zevende hemel. Ik vroeg: ‘Hoe zijn jullie geworden wie je bent?’

Ze zeiden: ‘Uit de mond van de homo sapiens gevlogen, en engelen genoemd, wat boodschappers betekent. Wij denken dat wij bedoeld zijn om jou heen, als je in de hoogste der hemelen een troon gaat bestijgen.’

‘Waarom zou ik?’

‘Om door alle aardebewoners te… worden erkend… en verheerlijkt… als… eerste beginsel… en zin van… hun bestaan,’ werd er moeizaam bij elkaar gestotterd.

‘Hoe komen ze op die gedachte?’ vroeg ik.

‘Die is gegroeid in hun brein, in het diepste van hun hoofd waar ook hun hart klopt en hun pijn en verlangen.’

‘Wat is pijn?’ vroeg ik.

Zij antwoordden: ‘Dat weten wij alleen van horen kreunen, het is dat je een mens op aarde bent.’

‘Zou ik… die pijn… kunnen verzachten?’ begon ik nu ook te stotteren, en voelde me nietig als een worm.

‘Hun breinen fluisteren dat,’ zeiden de lichtluchtigen in koor.

‘Fluisteren het nú,’ zei de jongste met de zwarte krullen, ‘of dat zo blijft, weet nog niemand.’

Ik besteeg die troon en daar zat ik. Vanaf het eerste ogenblik besefte ik, dat ik alleen maar moest zitten en verder niets. Geen verliefde oogopslag, geen strenge blik; geen toornig en geen bemoedigend woord. Niets dan zwijgen zou ik, en zien.

In het jaar 325, volgens de meest gangbare jaartelling op aarde, werden er naast mij, aan weerskanten, nog een paar tronen neergezet; eerst voor de joodse martelaar uit Galilea, aan mijn rechterzijde, daarna voor zijn moeder. Lieve mensen, ik had hun levens gezien en vond hen moedig. Aan mijn hartzijde een troon in de vorm van een boomtak, voor de vurige duif, alom op aarde ‘heilige geest’ genoemd.

Van de aarde stegen grote woorden naar mij op, en de lichtluchtigen vlogen af en aan om mij ervan te overtuigen dat een groot aantal mensen deze drie bij mij wilde inlijven, als het ware. Hij moest voortaan ‘zoon van god’ worden genoemd en zelfs ‘god van god’. Zij werd allang ‘moeder van god, godbarende’ genoemd en kreeg een litanie van schitternamen toegezwaaid: koningin des hemels, maagd der maagden, onbevlekte, sterre der zee.

Ik had daar mijn gedachten bij en zweeg.

‘Ze willen aanbidden,’ zei de jongste met de zwarte krullen, ‘en dat willen ze samen doen, zingend.’ Ik begreep de gedachte, het concept, de droom, het verlangen. Maar hield mij erbuiten.

Ik las wat her en der beneden over mij geschreven werd: ‘Veel te laat heb ik jou liefgekregen.’ Een man uit het dal van Spoleto, Franciscus, ontroerde mij met een zonnelied. Een begijn in Vlaanderen bezong heel mooi hoe ik mij dikwijls voelde: ‘Alles wat bestaat is mij te nauw, ik ben zo wijd.’

Eens hoorde ik dat god dood was. ‘En wij hebben hem gedood,’ hoorde ik schreeuwen en huilen. Wie wij, vroeg ik me af, en wie god? Niet ik was dood. Dat moest een ander zijn. Ik ben hun god niet meer, wist ik ineens, al zit ik trouw en gelaten op deze majesteitelijke troon.

Intussen besprongen kikkers de kusten en kwaakten de nacht aan flarden. Boze heksen veranderden prinsen in zwijnen en meisjes in prikkende rozen. Reuzen kwamen van de bergen en roofden lieflijke kinderen. Alles wat ik denken kon, gebeurde. Alles wat ik niet denken kon ook. Ik leefde van dag tot dag.

Op zekere dag hoorde ik de Wannsee noemen, en deed navraag. Een prachtig wijd meer bij Berlijn. Daar zou, in een aanzienlijk huis, een ontmoeting plaatsvinden van vijftien aanzienlijke Germanen, de bloem van de homo sapiens, de wetende mensheid. Het was 20 januari 1942, het sneeuwde een beetje.

Die nacht verliet ik mijn troon. Mijn aangenomen zoon sliep een diepe slaap. Ook de moeder gods sliep haar welverdiende slaap na zoveel vertroostende uitstraling, en de vurige duif koerde zachtjes en tevreden. Ik daalde af en bezocht een aanzienlijke villa. De vijftien waren vertrokken, hun glazen cognac nog halfvol, drankspetters op de documenten die ze hadden ondertekend.

Het was een villa met zuilen en grote lichte kamers. Er stond een brede lange tafel: hier, aan het hoofd, had Reinhard Heydrich gezeten, naast hem Adolf Eichmann. Op tafel lag een stapeltje handbeschreven papieren.

Ik las de definitieve mensentaal: niets is meer onzegbaar, alles kan benoemd worden in ondubbelzinnige woorden. De eindoplossing van het jodenvraagstuk werd evacuatie naar het oosten genoemd. Bedoeld werd vergassing door Zyklon B. Genocide was officieel beleid geworden, de opzet was elf miljoen.

De meeste van de vijftien, zag ik later op foto’s, hadden strakke lippen. Een had volle en een golfslag in zijn haar. Er waren vaders bij van grote gezinnen.

Ik herinnerde mij de eerste glimpen van de aarde uit de zonnenevel. Ik hoorde kometen inslaan en meteorieten. Ik zag de maan ontstaan, hoorde insecten zoemen, zag mammoeten grazen, en dan staat voor mijn ogen de Rechtop Gestrekte met de vlam. En alles daarna.

En nu las ik het handgeschreven Wannsee-protocol over de toekomst van de mensheid – ik maakte me geen illusies: hier stond de toekomst van de mensheid geschreven.

Weemoed overweldigde mij, werd wanhoop. Ik wou kunnen huilen maar kon niet. Dat niet eens – wat kan ik wel? Niets, besefte ik.

Toen besloot ik nooit meer op te stijgen naar mijn troon. ‘Tot in de eeuwen der eeuwen zal jouw troon een lege troon zijn,’ sprak ik tot mijzelf.

Sindsdien ben ik spoorloos en niemand zal mij tegenkomen. Ik zwerf langs vluchtelingententen, kruip onder bruggen van Calcutta naar stervenden toe; ik vind dode kinderen van drie jaar in rode hempjes en blauwe broekjes, aangespoeld op alle kusten van de aarde – ik til ze op en draag ze weg naar schaduwparadijzen, ik alleen weet waar.

Vannacht logeerde ik in een leegstaand klooster. Ik droomde: ik lag te slapen op de bovenste verdieping vlak onder het dak. De muren waren dichtbegroeid met klimop. Vroeg in de morgen werd ik wakker in mijn droom, van gefluister en zacht lachen. Ik liep naar het raam, boog mij uit het raam, in het licht van de opgaande zon en zag tientallen kinderen, misschien wel honderd, van twee, drie jaar tegen de muur opklimmen, zich met hun kleine vingers vastklemmend aan de takken van de klimop. Ze wenkten elkaar, wezen omhoog, en klommen toe naar het raam en riepen: ‘Wie ben jij?’

Misschien ben ik wat mensen nodig hebben om hun lijden te kunnen uithouden en elkaar te dragen.

Ik weet het niet. Het zal wel blijken. Maar hoe dan ook, ik zal proberen er te zijn.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda