FacebookTwitterLinkedIn
dinsdag, 29 March 2016 12:14

Vrijheid vind je niet achter, maar in je angst

Vrijheid vind je niet achter, maar in je angst Tekst: Rianne Oosterom Beeld: Liesbeth Oosterom

Werken, wonen, relaties: tijdelijkheid is het lot – of de keuze ? – van de twintiger. Maar hoe geef je zin aan de dingen die je doet, als je van tevoren al weet dat alles waarschijnlijk weer snel voorbij zal zij? Twiniteger Rianne Oosterom gaat haar angsten te lijf met haar eigen Dokter Bibber: Sören Kierkegaard.


Daar zitten we dan, wij twintigers. In onze flexkantoren naar onze zachtjes heen en weer wiegende hangplanten te staren. Als we eindelijk zo ver zijn dat we weten wat we willen, zijn er meestal geen vaste banen voor ons. Dus fietsen we naar de Kamer van Koophandel, halen een papiertje, maken een website waarop we precies omschrijven wie we zijn en wat we kunnen, terwijl we dat eigenlijk nog niet precies weten. 
Op feestjes zeggen we dat we ‘ondernemer’ zijn geworden in plaats van ‘loonslaaf’ en dat dat een bewuste keuze is. Door het vaak te zeggen, gaan we het zelf geloven. Want wij twintigers, wij willen toch niets liever dan vrij zijn? Ik bedoel: helemaal vrij, aan geen god of manager onderworpen?  
Dat er jeugdwerkloosheid is, tsja, daar hebben anderen mee te maken, wij niet. 

Gedwongen keuze
Van echte huizen kunnen we de huur nog niet ophoesten. Daarom wonen we vaak in woningen die tochten, die tijdelijk of antikraak zijn. We zeggen dat dat past bij onze bohemienidealen. We slapen er, wij twintigers, zetten drie cactussen op een rij, we dromen van mooiere wereld, terwijl we door onze ongewassen ramen naar buiten kijken. 
In die lekkende huizen ontvangen we mannen of vrouwen die we van foto’s op onze telefoons kennen. We hebben ze lief, voor heel even of net iets langer, en zwaaien ze dan weer uit. Vanachter hetzelfde vieze raam, terwijl we doen alsof het niet regent, alsof liefdesverdriet iets is van vorige generaties.
Want wij twintigers, wij zitten het liefst nergens aan vast. Als we een woord boven onze generatie moesten plakken, dan zou het ‘tijdelijkheid’ zijn. Dat past bij onze levensfase natuurlijk, maar wij hebben het ook tot ideaal verheven. Want tijdelijkheid – dat wij dingen kunnen afbreken – betekent een soort superautonomie en dat moeten we nastreven. Toch? 
Nou, nee. Ik, als twintiger met tijdelijk werk, zie eerder de schaduwzijde ervan. Dat tijdelijkheid autonomie en vrijheid betekent, dat zal wel, maar ik voel het alleen bij vlagen. Ik heb het idee dat veel twintigers om mij heen zich in een tijdelijk keurslijf gepropt voelen door hun omgeving of de te krappe arbeidsmarkt. Tijdelijkheid is naar mijn idee vaak een gedwongen keuze die als een keuze uit overtuiging wordt gepresenteerd.
Ik zal eerlijk zijn: ook ik doe aan die hypocrisie mee. Ik doe alsof het geweldig is: ik mag zelf weten hoe laat ik begin! Ik kies mijn eigen opdrachten! Terwijl de vluchtigheid mij soms droevig maakt en het gebrek aan zekerheid mij angstig. Mijn grootse probleem met tijdelijkheid is dat ik er niet in slaag de zingevingsvraag te beantwoorden: hoe geef ik zin aan wat ik doe, als alles tijdelijk is en als ik al van tevoren weet dat het waarschijnlijk voorbij gaat? Tijd om daar een antwoord op te vinden.

Constante ontwrichting
Het is een doordeweekse middag op ons flexkantoor. Die hangplant kan ik niet meer zien wiebelen, uit het raam heb ik ook al genoeg gestaard. Er komt te weinig uit mijn handen. Ik heb wat zinnen getypt, maar ze zijn te passief, te lelijk, te lang. Tijd voor koffie dan maar? Mijn kantoorgenootje gaan naar buiten.
Ze zucht, terwijl ze slokjes neemt in de dichtstbijzijnde koffietent – ze verkeert in dezelfde staat als ik. Ze heeft net en klus aangeboden gekregen; een half jaar twee dagen lang zwangerschapsverlof invullen. Zestien uur semivast, dat betekent je huur sowieso kunnen opbrengen. “Waarom zou ik dat doen?”, vraagt ze mij. “Wat heeft het voor zin? Ik bedoel: het is op de langere termijn geen investering in mijzelf, of in mijn carrière, of in de wereld.”
Ik knik. Kan me daar wel in vinden. Wat vind jij nou het moeilijkste aan al die tijdelijkheid, vraag ik. “De onzekerheid”, zegt ze. Ik krijg de wedervraag, moet even denken en zeg dan: “Angst. Ik ben bang dat dingen waarvan ik niet wil dat ze ophouden, toch voorbijgaan. Zonder dat ik daar zelf invloed op heb.” 
Het zijn de opdrachtgevers die zich terugtrekken, de huizen die fijn, ruim en licht zijn, maar die je plotseling verlaten moet binnen een maand, het zijn de mannen in wiens armen je wilt blijven, maar die je eruit duwen. Je moet het maar volhouden; steeds zeggen dat tijdelijkheid een keuze is, een adagium, dat je gelooft dat er weer iets nieuws en beters komt. Je moet het maar kunnen, je leven steeds zo ontwricht te zien. 
Er is wat dat betreft een soort survival of the fittest aan de gang. Want sommige twintigers lijken goed bij constante ontwrichting te gedijen, ze willen niets liever, anders gaan ze zich vervelen. Zij zijn sowieso succesvoller dan diegenen die slecht met tijdelijkheid om kunnen gaan; die er depressief van worden, of angstig. Ik geloof dat ik in de laatste categorie pas.
De angst die ik eerder beschreef maakt mij onvrij. Terwijl ik vrij wil zijn en het idee wil hebben dat mijn leven en werkzaamheden zinvol zijn. Hoe kom ik in vredesnaam van mijn angsten af?

 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda