FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
vrijdag, 15 January 2016 11:06

Tweede prijs schrijfwedstrijd: Elske Cazemier, 'Aan beperkingen voorbij'

Tweede prijs schrijfwedstrijd: Elske Cazemier, 'Aan beperkingen voorbij' Tekst: Elske Cazemier Beeld: Stijn Rademaker

Als geestelijk verzorger voor mensen met een verstandelijke beperking heb je geen enkel houvast. Nergens kun je je achter verschuilen. Je hebt alleen je ‘naakte, echte zelf’. Tot je ontdekt dat je niets hoeft. “Je moet vooral wachten, afwachten tot de ander tevoorschijn durft te komen”, schrijft Elske Cazemier, winnares van de tweede prijs in de Volzin-schrijfwedstrijd 2015.
Ze doet haar ochtendjas open en trekt het gebloemde pyjamajasje wat omhoog. Een witte, blote buik komt tevoorschijn. Haar pyjamabroek hangt op haar heupen. Ik kijk naar haar ingevallen wangen en de dunne blonde haren die steil langs haar bleke gezicht hangen. Tijdens haar griep van de afgelopen weken is Carla gekrompen. Ze lijkt veel meer gehandicapt dan voor die tijd. Ze begint op haar ribben te kloppen: “Hard”, zegt ze, en nog eens, “hard”. Met wijd open ogen kijkt ze me aan, alsof ze bezig is kopje onder te gaan. Ze verwacht iets van me, ik moet haar helpen, maar hoe? Het is alsof ik terug geduwd word naar mezelf en mijn eigen onmacht in plaats van bij haar te zijn.
Dit gevoel ken ik. Het overkomt me regelmatig sinds ik hier werk. Ik ben geestelijk verzorger voor de mensen die hier wonen. Ze hebben een verstandelijke beperking. Als ik kom kennismaken met Carla en haar huisgenoten zie ik nog net hoe het smalle, schichtige vrouwtje naar de gang schuifelt. Ze loopt in zichzelf te mopperen. Ik zie haar de hele avond niet terug. Ik ga me voorstellen aan de mensen die wel gewoon blijven zitten. Sommigen geven me een hand en noemen hun naam. Maar anderen keren zich van me af, gebaren dat ze geen hand willen en maken eigenaardige geluiden waar ik niets uit kan opmaken. Ik probeer contact te maken en doe mijn best om hun namen te onthouden.
Wanhopig vraag ik me af hoe ik in vredesnaam mijn taak als geestelijk verzorger kan uitoefenen: mensen helpen om betekenis te geven aan hun leven. Ik ben eerder zelf degene die hulp nodig heeft, hulp om overeind te blijven in een onbekende wereld. Niets is vanzelfsprekend. Ik kan niet terugvallen op wat ik al kan of wie ik al ben. Alles is nieuw voor me. En toch is er iets wat maakt dat ik wil doorzetten.
Voor het leren kennen van deze mensen ligt geen script klaar. Ik wil mijn best doen en hard werken, maar dat is niet voldoende. Ik zou me willen vastklampen aan iets, maar ik weet niet waaraan. Er is geen houvast. Dat ben ik niet gewend. Ik ben gewend dat ik gebruik kan maken van regels uit de gesprekstechniek. Als ik iemand iets vraag, geeft hij antwoord. Als ik iets zeg luistert hij, als ik een grapje maak wordt er gelachen. Ik kan me in anderen verplaatsen en met hen mee leven. Als ik moet spreken in kerkdiensten of bij uitvaarten heb ik altijd het multomapje bij me, waarin ik alle teksten heb uitgeschreven, tot aan de begroeting toe. Op deze manier houd ik de controle. Ik denk dat me niets kan gebeuren. Maar op deze nieuwe werkplek heb ik niets aan regels, aan opgeschreven woorden of aan ideeën over hoe het hoort in het sociale verkeer. Ik kan me nergens achter verschuilen, ik heb alleen mezelf, mijn naakte, echte zelf waar ik het mee moet doen.
Eerst probeer ik nog wel om het verloop van bezoekjes en activiteiten zoveel mogelijk in de hand te houden. Ik doe van alles zelf, ik regel, ik zorg, ik voel me verantwoordelijk, ik denk, mijn hoofd draait op volle kracht. Mijn lijf bungelt er maar zo'n beetje bij. Bij een viering doe ik de grote kaars aan, ik speel op de blokfluit en ik bedenk vast wat iemand straks kan zeggen of kan doen. Ik deel de taken uit. Wit veertje
Maar er is iets gaan verschuiven. Heel geleidelijk hebben de mensen met wie ik werk me los geweekt van mijn vaste patronen. Hoe ze dat hebben gedaan? Ik weet het niet, maar ik denk gewoon door te zijn wie ze zijn. Op een of andere manier heb ik oog gekregen voor wat zij in zich hebben. En dat maakt dat ik als vanzelf een stap achteruit doe. Ik wil ruimte maken voor hun bijdrage, aan activiteiten, maar ook aan wie ik ben. Als ik zie hoe kundig Inge haar elektrische rolstoel achteruit in de kring parkeert voel ik me klein worden. Wat een prestatie! Als ze later in de viering ook nog een kaars uitblaast, voor het eerst sinds ik haar ken, steek ik mijn beide duimen omhoog: “Yes, Inge, yes!” juich ik, “het is je gelukt!” Ze komt niet meer bij van de lach, haar rolstoel wipt op en neer en opeens sta ik zelf ook te springen. Inge kan zo veel niet, maar dit doet ze toch maar. Ik heb de neiging om diep te buigen.
In een kerkdienst ben ik niet meer de enige die het woord voert. We zoeken met elkaar naar de betekenis van een bijbelverhaal. Ik heb geen multomapje meer nodig. De lijn van het verhaal zit in me en ik vertrouw erop, dat de essentie naar boven zal komen. We gaan met elkaar in gesprek. Wat is dat eigenlijk, ‘vrede’? “Geen ruzie”, roept iemand, “rust”, “geen oorlog”. Sam komt naar voren, omdat ik hem niet kan verstaan. Hij pakt de microfoon en mompelt: “Papa overleden.” Weer heb ik even het gevoel van niet-weten. Wat moet ik hiermee? Wat bedoelt hij? Dan klaart de lucht op: “Ja Sam, ik begrijp wat je bedoelt: 'Rust in vrede' wil je tegen papa zeggen, he?” De jongen wordt rood en hij knikt.
Ik weet inmiddels hoe belangrijk het is om zichtbaar te maken waar het om gaat. Iedereen krijgt een wit veertje opgeplakt en we zingen elkaar toe: “Vrede voor jou.” Ik zie hoe Sam uitdeelt: zorgzaam en aandachtig. Dit had ik zelf nooit zo kunnen doen. Gelukkig kan ik de regie uit handen geven. Later vind ik overal in het gebouw nog veertjes terug. De vrede heeft zich al stilletjes verspreid.
Als ik bij iemand op bezoek ben zit ik daar nu rustig, met lege handen. Ik kan bij Carla zijn en kijken hoe ze in de weer is in haar kamer. Ze doet de gordijnen open, ze legt haar bed recht en controleert of alles in de kast nog goed ligt. Daarna pas kan ze gaan zitten en me ontvangen. Ik kan proberen van haar gezicht af te lezen hoe het voor haar is op dit moment. Ik hoef niet hard te werken en mijn best te doen. Ik moet vooral wachten, afwachten tot ze tevoorschijn durft te komen. Er hoeft niets, ik voel de spanning in mijn hoofd afnemen. En zo land ik meer in mijn lijf. Ik durf de werkelijkheid toe te laten.
We geven samen betekenis aan het leven, de mensen met wie ik werk en ik. Zij delen iets van hun leven met mij. Ze mopperen, klagen, kletsen, grinniken, zuchten, lachen, slaan, gooien, schreeuwen en vloeken, ze huilen en zijn in paniek. Ik ben er getuige van. Sommigen kan ik vasthouden, bij anderen houd ik afstand. Bij sommigen kan ik rustig zitten tot ze uitgeraasd zijn, anderen hebben geen rust. Ik ben hen gaan kennen, gewoon door er veel te zijn. Ze hebben mij tot mezelf gebracht, me binnen gevoerd in hun manier van leven. Ik hoef me geen gedachten te vormen over wat er moet of kan gebeuren, ik laat komen wat er komt. Ik waag het erop, ik laat me verrassen.

Kneepje in de hand
En dan ontmoet ik Carla. Ze is bang en zoekt naar geruststelling. Ik weet niet waar ze bang voor is, ik heb geen controle, geen oplossing, geen antwoord. Ik ben bij haar en wacht.
“Rustig maar, Carla”, probeer ik, “blijf maar even rustig zitten. Hier is een beker water, misschien wil je wat drinken?” Maar ik bereik haar niet. Ze frunnikt aan haar pyjamabroek en wijst op haar buik. Ze kan geen woord uitbrengen. Al weer klopt ze op haar ribben. Dan vertrekt haar gezicht, ze wijst op de foto aan de muur. Haar vader staat er op, een krasse oude man met heldere pretogen. “Mijn eigen vader”, zegt ze altijd. Vorig jaar is hij overleden. Ik zie nu tranen uit haar ogen druppelen. Dat heb ik nog nooit bij haar gezien. Zij gedraagt zich altijd hetzelfde, ze kan niet tegen alles wat anders is, haar autisme heeft haar in de greep. Wacht eens, er gaat me iets dagen. Haar ribben, de afzakkende pyjamabroek, haar vader...
Opgelucht pak ik haar hand. Dat mag ik normaal nooit, maar nu laat ze het toe, nu laat ze mij toe. “Carla”, zeg ik, “dat harde daar onder je pyjama, dat is niet erg. Dat zijn je ribben. Kijk, bij mij kun je die ook voelen.” Ze laat me haar hand naar mijn borstkas leiden. Ik geloof dat ik een vaag glimlachje bij haar zie. Dringt er iets door? “Dat is bij iedereen zo, Carla. Maar als je wat dikker bent voelt het anders. En je bent natuurlijk ziek geweest. Daardoor ben je nu magerder. Zo ken je jezelf niet. Maar als je goed eet, wordt alles weer gewoon, hoor. Je hoeft niet bang te zijn dat je dood gaat.” Weer zie ik iets van ontspanning, de oude Carla licht even op, ik voel een kneepje in mijn hand. En ik knijp van harte terug.

Elske Cazemier (55) uit Alkmaar is geestelijk verzorger en auteur van De ziel ontdekken. In contact met mensen met een verstandelijke beperking (Narratio). Haar inzending Voorbij beperkingen heeft van de jury van de Volzin-schrijfwedstrijd heeft een eervolle vermelding ontvangen.

Login om meer te lezen

1 Reactie

  • Reactielink dinsdag, 16 August 2016 02:35 Geplaatst door Smithf326

    It is rare for me to uncover something on the web thats as entertaining and intriguing as what you have got here. Your page is sweet, your graphics are great, and whats much more, you use source that are relevant to what youre saying. That you are undoubtedly one in a million, well done! gdbeddedgedcegge

    Rapporteren
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda