FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 11 January 2016 09:33

Eerste prijs schrijfwedstrijd: Jos Smeets, 'Doorfietsen!'

Eerste prijs schrijfwedstrijd: Jos Smeets, 'Doorfietsen!' Tekst: Jos Smeets Beeld: Sander ten Napel

“Hier, op deze zonnige winterdag, in de marge van de bewoonde wereld, liggend onder mijn fiets, wordt van mijn leven de maat genomen en peil ik mijn ziel: Recht of slecht?” Jos Smeets komt in het Zeeuws-Vlaamse grensland ten val. En staat weer op.

De inzending ‘Doorfietsen!’ is door de jury van de Volzin-schrijfwedstrijd 2015 bekroond met de eerste prijs.

Plaats van het gebeuren: het grensgebied tussen Knokke en Sluis, Vlaanderen en Nederland. Meer bepaald: het wegje en het bruggetje waarlangs fietsers en wandelaars het dorp Retranchement binnenkomen. Daar lag ik. Onbeweeglijk. Ondersteboven in de berm van een beek. Met als enig uitzicht een hemel vol wolken zo dreigend en zo mooi dat ze wel leken weggedreven uit een chanson van Jacques Brel.

Ik was zevenenzestig en nog maar eens van mijn fiets gevallen... Versnelling te groot geschakeld? Helling te steil? Te lage uitstap – nochtans een damesfiets...?

Gelukkig zonder 'hals- noch beenbreuk' – zelfs geen kleerscheuren had ik. Het was bovendien niet eens een slijkerig wegje en ik was voldoende ingeduffeld om op die zonnige, winterse namiddag kou te voelen noch te vatten. Door de weinig comfortabele stuitligging waarin ik lag werd ik zelfs licht euforisch, een gevoel dat neurologen je moeten kunnen verklaren als het gevolg van een goede doorbloeding van de hersenen, in combinatie met de geneesmiddelen die ik nu al vijftien jaar slik.

Geen paniek

Uiteraard blijft niemand graag onder zijn fiets liggen, maar hoe ik mij ook draaide of keerde, ik slaagde er niet in mij uit die even onmachtige als potsierlijke situatie te bevrijden. Een mens zou ervan in paniek geraken. Dat mij dat bespaard bleef, was mede te danken aan enkele joggers en aan een man-met-hond, die even tevoren mijn pad hadden gekruist en die, logisch geredeneerd, langs datzelfde pad naar de bewoonde wereld terug moesten keren. Zij zouden mij beslist overeind helpen

Het landschap waarin ik ten val was gekomen boezemde mij evenmin angst in. Het was mij immers bekend. Zo stond ik een tijdje tevoren, enkele kilometer meer naar het Noorden, vanop de Scheldedijk uit te kijken over de raadselachtige oneindigheid van de samenvloeiende wateren van Schelde en zee. En enkele keren per week doorkruiste ik, weliswaar met de auto, de streek. Via idyllische landwegen en langsheen polderdorpen die zo mooi waren als hun namen lieten vermoeden (Waterlandkerkje! Biervliet!) was ik dan op weg naar een van de negen kerken van West-Zeeuws-Vlaanderen, om er vóór te gaan in de zondagsmis of om een van mijn parochianen ten grave te dragen, in de hoop en het vertrouwen dat een mens niet zomaar verdwijnt in het niets, maar opgenomen wordt in het paradisum dat ons is beloofd – een troostende boodschap die ik in deze tijd van grootschalige ontluistering (weliswaar slechts schoorvoetend en schroomvol) toch nog steeds durfde te verkondigen.

Zevende hemel

Hoe vaak ging er niet, bij het verlaten van de bewoonde wereld van Knokke, onder een stralende zonsopgang, een nieuwe, weidse wereld voor mij open: de schepping zelf, in al haar uitbundige glorie? Hoe gewoon of zelfs banaal die ochtendlijke autoritten ook mochten zijn, zij hielpen mij ondanks alles mijn oervertrouwen in deze wereld te bewaren, de rustige vastigheid waarmee ik in het leven stond.

Wat ik onderweg dan zoal allemaal waarnam en beleefde? Het oude Brabantse trekpaard liep steevast onverstoorbaar, verzonken in zichzelf, te grazen in zijn wei. De springerige rijpaarden van de jeunesse dorée, voor wie het nog te vroeg dag was om al op te staan, verdwenen, opgeschrikt door mijn passage, in galop uit het gezicht. Voorbij de schuur en de stallingen van het Hazegras zochten de door de toeristen verwende ooievaars van Het Zwin met klapperende bek naar voedsel voor zichzelf en hun kroost. En ik prees me gelukkig dat ik het fietspad wist liggen dat de horden Belgische fietsers, om de rijweg te vermijden, verplicht waren te nemen – een soort voorkennis waar ik listig van profiteerde om ze definitief het nakijken te geven. In een wei in de buurt van de grens graasde een kudde bruine koeien. Met ogen vol melancholie staarden ze mij aan. Of ze mij ook zagen? En wat zulke beesten dan denken...?

Alsof er nog niet genoeg schoonheid over mij en de regio werd uitgegoten, deed Radio 4 er op zondagochtend nog een cantate van Bach bovenop. Dan ging de volumeknop volledig open en liet ik de muziek onbegrensd over het landschap schallen.

Maar het mooist waren toch de vlasakkers, die mij, afkomstig uit de Limburgse Kempen, met verstomming sloegen toen ik merkte hoe de ochtendzon daar (enkele uren slechts, en alleen maar in de voormiddag) een tere, lichtblauwe schijn overheen spreidde. Zoveel schoonheid diende te worden verdiept, vastgehouden en vermeerderd. Met als gevolg dat ik eens, bij het fotograferen van zo'n akker, de tijd uit het oog verloor en te laat voor de dienst in de kerk arriveerde.

Kortom, hoe kon (dúrfde) ik er nog aan te twijfelen: het leven was een feest, en ikzelf op weg naar een zevende hemel.

Mijn ziel gepeild

Sinds een jaar of vier, vijf kom ik nog maar zelden in West-Zeeuws-Vlaanderen en dat heeft niets te maken met mijn pensioenleeftijd. Al vijftien jaar behoor ik tot de weinig benijdenswaardige groep mensen van wie dokter Parkinson, bijna drie eeuwen na zijn dood, nog steeds de solidaire, weliswaar soms wat lastige kameraad is. Zijn ziekte dolt met mij, brengt mij het hoofd op hol, doet mijn ledematen ongecontroleerd alle kanten uit slaan, maakt zich meester van mijn stem, vervormt mijn woorden, vertraagt en vervaagt mijn denken, stoot mij van mijn fiets...
Zie mij dan hier nu liggen, hulpeloos als een boreling, in dit niemandsland tussen België en Nederland. Op de plek waarvandaan ik mijn verleden, heden en toekomst in hun volle scherpte afgetekend zie: mijn leven in het decor van een weids en wisselend grensgebied. Dit is het schrijnend maar gezegend momentum van het inzicht. Hier, op deze zonnige winterdag, in de marge van de bewoonde wereld, liggend onder mijn fiets, wordt van mijn leven de maat genomen en peil ik mijn ziel: 'Recht of slecht?'

Diezelfde vraag stelde ook de vermoorde maar daarom nog niet mislukte bisschop Oscar Arnulfo Romero uit El Salvador zich: “Wat ik gedurende mijn leven gedaan en gerealiseerd heb, was dat goed? Voldoende?” Als diepgelovig man die opkwam voor zijn onderdrukte volk beantwoordde hij die vraag met het nodige realisme als volgt:

Wij kunnen niet alles doen

en dat is een bevrijdende gedachte.

Ze maakt dat we iéts doen,

en het zeer goed doen.

Misschien onvolledig, maar een begin, een stap op de weg,

een kans voor Gods genade om binnen te komen en het van ons over te nemen.

Bestaan er teksten waarmee je een boer van zijn paard kan slaan – er bestaan er ook waarmee je eenzame, gevallen fietsers weer in het zadel kunt heffen. Romero's tekst is er zo een.

Dode last

Na een vijftal minuten slaag ik erin van onder mijn fiets vandaan te krabbelen.
En dan gebeurt er iets vreemds; iets wat zich enkel maar in het creatieve brein van een surrealistisch kunstenaar, het geëxalteerde van een mystica of het gedrogeerde van een Parkinsonpatiënt in zijn volle breedte begrijpelijk af kan spelen: ik klop het vuil van mijn jas, spring op mijn fiets en vervolg mijn weg. Aan het eind ervan, op enkele meter van het dorpsplein, discreet, onzichtbaar voor de gasten van het dorpscafé, staat een lijkwagen. Er zitten twee in het zwart geklede figuren in die ik niet zo snel kan herkennen. Maar als ik de hoek omdraai, zet de wagen zich in beweging. Langszij gekomen gaat het raam open en wuift men mij vriendelijk toe. Ik herken Vera en haar zoon Jeroen. Wij hebben in deze streek samen heel wat uitvaartdiensten verzorgd en zo de dood voor de nabestaanden een beetje draaglijker mogen maken. De herinnering daaraan hangt heel even als een warme wolk om ons heen. Dan versnelt de wagen en slaat de richting in van het kerkhof van Sluis, waar hij tien minuten later met zijn dode last wordt verwacht.

Altijd opstaan

Ikzelf moet niet naar Sluis, ik moet naar huis. Langs een andere weg weer de grens over. Links en rechts van mij zijn de weiden leeg. Weg koeien, weg ooievaars; en ook de rijpaarden: weg. Alleen mijn oude Brabantse kameraad loopt nog te grazen, in het licht van de ondergaande zon. In mijn kop trekt een melodie zich traag en krakend op gang. Het is Leonard Cohen die daar zingt, de oude bard met de versleten stem, de crooner van de betere ballade, van het joodse levenslied.

Onverstoorbaar bezingt hij hoe het kwaad en de dood door kieren en spleten in het leven binnendringen en dat leven beschadigen en scheuren. Maar ook hoe, juist door die scheur, het licht overal weldadig, genezend naar binnen kan schijnen: There is a crack in everything, that's how the light comes in.

Wie van mijn lotgenoten zal het mij kwalijk nemen dat ik dit vers nu vrij vertaal als volgt:

Zelfs al neemt de ziekte je te grazen

en kom je nu en dan ten val

je kunt altijd weer opstaan

indien nodig

helpt men je

 

doorfietsen!

Jos Smeets (68) is dominicaan en woont in Knokke, België. Hij was onder meer werkzaam als pastor en als redacteur van het Vlaamse missietijdschrift Wereldwijd. Sinds vijftien jaar lijdt hij aan de ziekte van Parkinson. De inzending Doorfietsen van Jos Smeets is door de jury van de Volzin-schrijfwedstrijd 2015 bekroond met de eerste prijs.

 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda