FacebookTwitterLinkedIn
woensdag, 16 December 2015 12:32

Mystiek in literatuur en beeldende kunst

Mystiek in literatuur en beeldende kunst Tekst: Nico Keuning

Mystiek is het kernwoord in twee recent verschenen boeken: De stilte van het licht van Joost Zwagerman en Wit licht van Jaap Goedegebuure. Beeldende kunst versus poëzie. Is het domein van mystiek voorbehouden aan de beeldend kunstenaar of kan ook de dichter het onuitsprekelijke in woorden vangen?

Wat is geloof nog in dit land? In Wit licht, Poëzie en mystiek in de Nederlandse literatuur van 1890 tot nu is de jongste, nog levende dichter wiens poëzie in relatie tot het geloof wordt besproken, de zestig ruim gepasseerd. Dat zegt ook iets over de leeftijd van de auteur van deze bundel beschouwingen, waarin opmerkelijk veel jonge dichters ontbreken in wier gedichten geloof of mystiek ook een rol speelt. Ook van de al wat oudere dichter Pieter Boskma ontbreekt in het boek elk spoor, terwijl je alleen al de titels van zijn bundels hoeft te lezen om te weten dat zijn poëzie vol staat van natuurlyriek, geloof en mystiek: De messiaanse kunst, Simpel heelal, De aardse komedie, Het violette uur, Doodsbloei, Mensenhand.

Dat neemt niet weg dat er in de verhandelingen van Jaap Goedegebuure interessante beweringen worden gedaan over de poëzie van dichters bij wie je nu niet direct aan het geloof denkt: Paul van Ostaijen, Lucebert , Bert Schierbeek, Hans Verhagen en Armando. Om er maar een paar te noemen. We moeten het geloof dan ook ruimer zien, als mystiek, die verder reikt dan de grenzen van de westerse cultuur, al steunt het boek vooral op christelijke mystici als Paulus, Hadewych, Eckhart, Ruusbroec en Johannes van het Kruis (Juan de la Cruz). Zo is het Niets in het werk van modernistische Nederlandse dichters als Paul van Ostaijen, Martinus Nijhoff, Gerrit Kouwenaar en Hans Faverey volgens Goedegebuure te beschouwen als een afgeleide van de negatieve theologie: een mystieke zoektocht die leidt tot eenwording met God, maar tegelijkertijd een ontmoeting met God uitsluit: “Alles wat men over God zou kunnen zeggen, alle namen die men voor hem of Haar of Het bedenkt, zijn reducties naar de menselijke en dus imperfecte maat. Beter is het over God te zwijgen, zoals de Dionysiusadept Eckhart verzuchtte.”

In de leegte

Dichters, zou je kunnen zeggen, zijn per definitie op zoek naar woorden voor het onuitsprekelijke. Woorden voor een mystieke ervaring. Een geloofservaring, een contemplatief moment in de natuur, maar ook ‘actieve of passieve vormen van seks en geweld’, Goed en Kwaad, zoals dat in het werk van Armando zo sterk aanwezig is. De poëzie is het mysterie: het goddelijke, het Al, het Ene, het Andere, de Dood of het Niets.

Joost Zwagerman vraagt zich in zijn essaybundel De stilte van het licht, in het essay over Mark Rothko af, oog in oog met de Murals, diens majestueuze schilderijen, of het grootste, sacraalste, subliemste en stilste onder woorden kan worden gebracht door dichters. “Biedt poëzie een ‘menselijke’ ingang tot de ‘mysterieuze wereld’ die Mark Rothko met zijn kleurplaneten op doek creëerde?” Met andere woorden, staat de dichter niet machteloos tegenover het sublieme, de diepste waarheid? Is dit niet het domein van de beeldend kunstenaar? De Amerikaanse dichter John Taggart komt er het dichtst bij, maar dan nog slechts in de beschrijving van het werk van de schilder, die het wel lukt ‘het onuitsprekelijke’, in beeldtaal ‘naar buiten te brengen’.

In het essay Het rode wonder citeert Zwagerman de dichter Pierre Kemp ‘een van de bekendste beeldgedichten in de Nederlandse literatuur’, in diens bewondering van De Joodse bruid van Rembrandt:

Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief,

van toen ik het zag voor het eerst

en ik nog niet begreep,

welk een verkering ik die dag begon.

Maar dichten over een schilderij is iets anders dan de extase van het schilderij zelf. In de optiek van Zwagerman (zelf ook dichter) lijkt de mystieke ervaring voorbehouden aan de beeldend kunstenaar. Bij voorkeur in de abstracte vorm. Wit suprematistisch kruis (1920) van Malevich bijvoorbeeld. Het witte kruis tegen een lichtgrijze achtergrond. Het vervolg op Zwart vierkant, uit 1914, dat de schilder zag als de afbeelding van ‘het gelaat van God’. Zwagerman verbindt de leegte met het Niets van Eckhart. Dat ook Zwagerman verwijst naar Eckhart en soms aan dezelfde dichter of gedichten refereert als Goedegebuure is overigens geen toeval, zoals blijkt uit een interview in Trouw (26 september) met de laatste: “Ik (had) een heel hoofdstuk ingeruimd over mystiek in de schilderkunst, maar Oek de Jong zei me dat het vloekte met de rest. Toen heb ik het aan Joost Zwagerman gegeven.”

“De mens,” citeert Zwagerman Eckhart, “heeft een leegte in zich waar God precies in past.” Zwagerman vervolgt: “Zes eeuwen later wilde Malevich tonen hoe die leegte in de mens eruitziet: als een zwart vierkant. Volgens Malevich paste God in dat vierkant omdat Hij er in Zijn immanente onkenbaarheid mee samenvalt.”

Maar mystiek leeft eveneens in de stilte van voorwerpen, objecten, dingen. Zoals in Stilleven met vier kruiken, van de Spaanse schilder Francisco de Zurbarán. God huist in de verf, beweert de een. God schuilt in de kruiken, zegt een ander. “In beslissende instantie huist God bij Zurbarán in verf noch dingen,” zegt Zwagerman. “Hij huist in de leegte.”Login om meer te lezen

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda