FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 14 December 2015 10:44

Brabant is 'een verrekkes goei idee'

Feestmis voor sportclub in Nistelrode Feestmis voor sportclub in Nistelrode Tekst: Gerard Rooijakkers Beeld: Ramon Mangold

Brabanders zouden o zo katholiek zijn, zielig bovendien – want eeuwenlang onderdrukt. Fictie die prefect past in de ‘underdogstrategie’ die de provincie geen windeieren heeft gelegd. De gemoedelijke, gezagsgetrouwe, meegaande Brabander is eveneens een vondst van cultuurpolitici. Historicus en Brabander Gerard Rooijakkers ontrafelt de Brabantse identiteit.

De Brabander is gastvrij, gemoedelijk, meegaand, gehecht aan tradities, extravert, intuïtief, wat achteloos in het nakomen van afspraken, gezagsgetrouw en gelovig; ja, zelfs een zekere lijdzaamheid en berusting zijn hem niet vreemd. Ziehier in enkele trefwoorden het ‘volkskarakter’ van de Brabander waar regionale auteurs eindeloos over kunnen psychologiseren.

Dit volkskarakter zou zijn gevormd door de eeuwenlange onderdrukking tijdens de Generaliteitsperiode (1629-1798), toen Brabant een binnenlandse kolonie was die werd uitgezogen door vreemde heren van boven de rivieren. Vanuit wingewesten, heette dan ook een populair boek van de neerlandicus Gerard Knuvelder uit 1930. Mgr. Th. Goossens, destijds rector van de Katholieke Hogeschool in Tilburg, maakte een jaar eerder grote indruk met een rede over Het arme Brabant, waarin hij pleitte voor een omgekeerde geldstroom bij wijze van Wiedergutmachung. Brabant had in Nederland immers altijd aan de ‘achterste mem’ gelegen. Door het verleden op ideologische wijze uit te vergroten met een katholieke bloeitijd in de middeleeuwen en een daaropvolgende uitbuiting, knechting en vernedering kreeg de emancipatie van dit gewest een krachtige impuls. Het was een underdogstrategie die buitengewoon goed werkte. Zo goed zelfs, dat generaties Brabanders er zelf heilig in zijn gaan geloven.

 

Zieligheidssyndroom
Hetzelfde gold voor het beeld van Brabant als homogene katholieke gemeenschap, waar buitenstaanders zoals protestanten (ook al woonden ze er eeuwenlang) niets te zoeken hebben. Het katholicisme werd immers beschouwd als wezenskenmerk van de Brabantse ziel. Ergo: wie niet katholiek was kon geen echte Brabander zijn, hoe goed hij achteraf ook bleek te kunnen schilderen, zoals een zekere Vincent uit Nuenen. Het was de Hilvarenbeekse priester dr. P.C. den Brouwer die dit gedachtegoed tot in de jaren vijftig propageerde en de schuttersgilden als hoeders hiervan aanwees. We bevinden ons dan in de regionalistische kringen van Brabantia Nostra, dat heel typerend niet als ‘ons Brabant’ maar strijdvaardig als ‘Brabant aan ons!’ werd vertaald. Een gezagsdrager als de Bossche bisschop Jan ter Schure zag tot in de jaren negentig de schuttersgilden als vertegenwoordigers van de aloude katholieke Brabantse waarden en sloeg, als het even kon, dan ook uit antimodernistische overwegingen geen uitnodiging af voor een veilig gildefeest.
De ideologische beeldvorming van het arme Brabant, inmiddels door historici ontmanteld en van haar mythische proporties ontdaan, bleef evenwel als effectief instrument onder handbereik in de politieke gereedschapskist. Toen de A2, onder de rook van het Brabantse provinciehuis, als gevolg van wateroverlast in 1995 onderliep, was de kenmerkende reflex dan ook dat dit in Den Haag nooit gebeurd zou zijn. Het was een van de laatste stuiptrekkingen van het Brabantse zieligheids-syndroom dat als een warme calimero-deken de gemoederen in het wingewest warm hield.

 

Verroest verfblikje
De neiging om van bovenaf de identiteit van Brabant te bepalen is echter tot op de dag van vandaag diep verankerd in provinciale bestuurlijke kringen, met alle potsierlijke gevolgen van dien. Zo dacht Commissaris van de Koningin Hanja Maij-Weggen bij haar aantreden in 2003 Brabant een plezier te doen met het officieel vaststellen van een volkslied. Ook al zingen Brabanders spontaan allerlei liederen, er zou en moest een officieel volkslied komen. Alle inspanningen van een geleerde commissie ten spijt, is het project zieltogend ten onder gegaan. Ik ben altijd een fervent tegenstander van deze symbolische cultuurpolitiek geweest. Het lied Brabant van Guus Meeuwis prijkt steevast in de hoogste regionen van de Top 2000 en wordt ver buiten de provincie gewaardeerd en gezongen. Het is een les dat cultuur en identiteit zich niet meer van bovenaf laten aansturen.
Hetzelfde fiasco ligt op de loer bij de investeringen die worden gedaan om in het kader van regiobranding Brabant, over de hoofden van de inwoners heen, te positioneren met een verloren protestantse zoon als Vincent van Gogh. Zelfs de vondst van een oud verroest verfblikje in de tuin van de Nuenense pastorie vormt daarbij groot nieuws. De basale marketingles dat imago en identiteit op elkaar moeten aansluiten wordt hier met de voeten getreden. Nee, neem dan de campagne NB dan denk je aan Brabant, compleet met ovaal beeldmerk dat lijkt op een Kroatische autosticker en gratis verkrijgbaar is bij de VVV. Uiteraard ondersteund met ronkende websites, met zelfs een onderdeel Ons Brabant: het weekendgevoel voorzien van de uitnodigende aanbeveling: ‘Ze zeggen niet voor niets: Brabantse nachten zijn lang!’.
Login om meer te lezen

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda