FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 30 November 2015 11:08

'Lieven Heer, ik vuul 't nie meer'

Gerard van Maasakkers Gerard van Maasakkers Tekst: José Vorstenbosch Beeld: Ronald Rietman

Zanger Gerard van Maasakkers wordt wel de vertolker van de Brabantse ziel genoemd. Hij begon zijn muzikale carrière als dirigent van een jongerenkerkkoor. “Aan de kerk heb ik veel te danken”, zegt hij. “Het gevoel voor symboliek en theater, voor mystiek en rituelen.” Het ‘grondpersoneel’ van de kerk ging hem echter steeds meer tegenstaan. Een band met ‘Onze Lieve Heer’ voelt hij niet meer. “Maar ik geloof in mensen.”

‘Een lied moet mezelf zo bij de kladden grijpen, dat ik het af móet maken. Ik ben zelf de eerste luisteraar. Pas als het klaar is, ga ik ermee naar anderen.”

Gerard van Maasakkers (66) heeft deze avond in het Parktheater in Eindhoven de voorpremière van de voorstelling Maar liefje, nu heb je geen voetjes, waarin hij samen met zijn levenspartner Frank Cools Nederlandse en Vlaamse liedjes ten gehore brengt. “We beleven veel lol aan het samen zingen, met name tweestemmig. Bovendien klonk het tot onze verrassing zo mooi dat we er iets mee wilden doen. Vorig jaar hebben we dat op de Gentse Feesten uitgeprobeerd, deze voorstelling is daar uit voortgekomen.” Naast vertrouwde nummers van hemzelf zingen ze liedjes van onder meer Ramses Shaffy en Willem Vermandere. “Ik heb altijd veel voeling gehad met Vlaamse muziek. Ik luisterde meer naar de Belgische radio dan naar de Nederlandse.”

Bleu manneke

Van Maasakkers groeide op in het Noord-Brabantse dorp Nuenen, als oudste zoon van een middenstandsgezin. “Als ik vroeger in de schouwburg van Eindhoven kwam, dacht ik: ik zou wel eens op dat podium willen staan. Inmiddels heb ik hier al heel wat keren opgetreden.” De plaatselijke fanfare, waarin zijn vader speelde, en het kerkkoor brachten hem in aanraking met muziek. “Binnen die marges moest je het als dorpeling in de jaren vijftig, zestig zoeken. Of je moest het dorp ontvluchten en naar de stad gaan. Ik was toen een bleu manneke, dat nog niet zoveel durfde. Voor een popbandje was ik niet ruig genoeg. Maar het jongerenkoor in de kerk dirigeren, dat kon ik wel. Eigenlijk deed je dan precies hetzelfde: muzikanten erbij zoeken en samen muziek maken.”

De start van zijn zangcarrière liet nog even op zich wachten. Kiezen voor een beroep als artiest lag in zijn milieu immers niet voor de hand. “De verwachting van mijn ouders was dat ik priester werd, óf dat ik mijn vader, die een hoveniersbedrijf had, zou opvolgen. Na een jaar op het seminarie in Vught bleek het priesterschap niks voor mij. Mijn vader opvolgen heb ik gelukkig ook niet hoeven doen. Ik vond hoveniersvak wel interessant, maar een eigen zaak leiden trok me niet aan.”

Geen nostalgie

Van Maasakkers zong eerst in het Nederlands en Engels. In zijn studententijd ontdekte hij wat later zijn handelsmerk zou worden: liedjes vertolken in het Brabants dialect. “Samen met een medestudent moest ik in het Nuenens Broek bomen inventariseren. We waren wat aan het flauwekullen en in één keer begonnen we te zingen. Dat werd mijn eerste liedje Hee gaode mee. Zingen in het Brabants paste heel goed bij mij, en het publiek vond het prachtig. Bijkomend voordeel was dat ik me ermee onderscheidde.”

Van zijn eerste elpee Komt er mer in (1978) werden in korte tijd 15.000 exemplaren verkocht, waarna verschillende platen volgden. Na een jaar of tien wilde hij wel eens weg uit dat hoekje van folk en dialect. “Het werd vaak geassocieerd met nostalgie, wat ik zelf helemaal niet zo voelde.” Een uitstapje naar het Nederlands, waarmee hij een breder publiek hoopte te bereiken, bleek niet de oplossing. “Ik kwam erachter dat ik dan teveel mijn best deed om anders over te komen. Als ik in het Nederlands over een bepaald onderwerp schrijf, wordt het een ander liedje dan wanneer ik het in het Brabants doe. Nederlands is een beetje hoekig, het Brabants is toch ronder.”

Weer terug naar ‘de taal van thuis’ dus, maar wel met wat steviger muziek eronder. “Van die periode heb ik geleerd wat ik het liefste doe en het beste kan. Ik formeerde ook een band, met een meer popachtig geluid. De muziek was anders, terwijl ik toch mezelf bleef.” Met zijn Vaste Mannen bestormde hij niet alleen de Brabantse podia, maar wist ook menige theaterzaal boven de rivieren te vullen.

De vertolker van de Brabantse ziel, zo wordt hij wel genoemd. “Dat zijn niet mijn woorden. Omdat ik in het dialect zing, is het nogal gauw ‘onze Gerard’. Er zijn mensen die er zelfs moeite mee hebben dat ik in Gent ben gaan wonen. Maar een Brabander blijf je natuurlijk toch. Ik vind Brabant ook wel een beetje ‘ons kent ons’, zeker op de dorpen: als ge d’r nie bijheurt, is het lastig om d’r bij te komen.”

Gemeenschapszin

Waar hij als Brabantse zestiger niet onderuit komt, is de invloed van de rooms-katholieke kerk. “In mijn jeugd was alles ervan doordesemd. Vroeger dacht ik altijd dat er op Goede Vrijdag om drie uur een wolk voor de zon zou komen. Het zat heel diep. Ik heb er ook veel aan te danken: het gevoel voor symboliek en theater, voor mystiek en rituelen.” Toch kwam het tot een breuk. Van Maasakkers schreef er in 2009 een liedje over, waarin hij zich niet tot het “grondpersoneel”, maar rechtstreeks tot Onze Lieve Heer wendt.

hedde efkes, Lieven Heer

ik kan ‘t oe mer beter zelf zeggen

‘t kumt eigenlijk hier op neer

‘t is lastig um uit te leggen

ge waart haost familie van mijn

en die laotte nie zo hendig vallen

mer ‘t liep al ‘nen tijd op ‘n eind

ik hoef nie te gaon, want ik was al weg

onvermijdelijk en geleidelijk

dus ‘t wordt tijd um ‘t hardop te zeggen;

Lieven Heer, ik vuul ‘t nie meer

(uit: Hedde efkes, Lieven Heer)Login om meer te lezen

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda