FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 19 October 2015 15:15

Niet aaien!

Tekst: Nico Keuning. Beeld: Klaas Koppe Tekst: Nico Keuning. Beeld: Klaas Koppe

Veel bekende schrijvers poseerden met hun poes op de arm voor de fotograaf. Onder anderen Nescio, Gerard Reve, Mensje van Keulen, W.F. Hermans en Rudy Kousbroek. Onlangs verscheen 'Negenenhalf leven', een bundel met nieuwe en klassieke kattenverhalen. Wat is het geheim achter de innige relatie tussen de schrijver en zijn veelal slapende haarbol?

De beroemdste kat in de literatuur is Bébert. De kat van de Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961). In de jaren tachtig bestond er in Nederland (Rotterdam) zelfs een uitgeverij van fraaie bibliofiele uitgaven die vernoemd was naar deze harige kameraad van Céline. In het oeuvre van de schrijver treedt Bébert op als trouwe metgezel. In juni 1944, na de landing van de geallieerden in Normandië, vluchtte Céline met zijn geliefde, de ballerina Lucette Almansor, via Duitsland naar Denemarken. Door zijn antisemitische pamfletten (lijvige boekwerken) die hij schreef tussen 1937 en 1941 zou hij als collaborateur en landverrader in Frankrijk ter dood zijn veroordeeld. In de Duitse trilogie vertelt de schrijver op onnavolgbare wijze in associatief, hallucinerend en fulminerend proza over zijn avontuurlijke reis. De kat Bébert droeg hij bij zich in een weitas aan zijn riem. Gedurende zijn ballingschapsjaren in Denemarken was de kat (op de achttien maanden in de gevangenis na) naast Lucette elke dag in zijn gezelschap.

Tijdens de arrestatie van de schrijver en zijn vrouw in Kopenhagen, vluchtte Bébert via een openstaand dakraampje  naar buiten. "Louis werd in een cel opgesloten," vertelde Lucette later, "ik in een andere op de vrouwenafdeling, ook Bébert werd weer gevangen en aan het dierenasiel, aan een dierenkliniek toevertrouwd, in een kooi." Welk een solidariteit: alle drie de bak in.

In Rytme, dans – Céline og hans danske venner vertelt de vroegere danseres Bente Karild over de schrijver en zijn Deense vrienden. Zij baseert haar herinneringen op het dagboek dat zij hield en brieven. Na de arrestatie van Céline en Lucette ontfermt Bente zich over Bébert: "Bébert was een geweldige, zeer intelligente kat. Tussen 1945 en 1946 was ik bijna elke dag in zijn gezelschap. Hij was in december 1945, toen Louis en Lucette in de gevangenis zaten, bij mij in huis op het adres Stægers Alle." Er is een mooie foto van Céline in de winter van 1947 als hij in het park aan Kronprinsessegade wandelt met Bébert aan een lang touw. Er zijn talloze foto's van Céline met zijn geliefde kat. Op schoot, op bed, op tafel.

Het contrasterende beeld van de schrijver die zo geweldig kon haten, vloeken en tieren, in vertederend contact met een kat, sprak tot ieders verbeelding. Het is een cliché te zeggen dat hij meer van dieren hield dan van mensen. Maar het is waar. Niet voor niets omringde hij zich de laatste tien jaar van zijn teruggetrokken leven in zijn huis met tuin in Meudon met katten, honden en zelfs een papegaai.

Niet aaien

De relatie tussen schrijver en kat gaat verder dan 'de aaibaarheidsfactor' waarover Rudy Kousbroek schreef in het gelijknamige boekje met het fluweelzacht omslag. Niet het aaien of aanraken bepaalt de aantrekkingskracht, maar de sluimerende, waakzame aanwezigheid van de poes tijdens het schrijven verklaart de liefde van de schrijver voor dit huisdier. Schrijvers en poezen begrijpen elkaar; ze zijn samen maar willen met rust worden gelaten. Noli me tangere. Niet aaien! Dat is juist weer iets voor vrouwen.

Gerard (Kornelis van het) Reve liet zich met de zwart witte 'Knorretje Panda' door Eddy Posthuma de Boer in Huize Het Gras in Greonterp fotograferen voor de omslag van de herdruk van Op weg naar het einde en later door Klaas Koppe op zijn Geheime Landgoed in Frankrijk met een 'aangelopen Katholieke kater'. Samen op de foto. Een poes is immers goed gezelschap in de stilte en de eenzaamheid van het schrijven. Tegelijkertijd heeft de liefde van een schrijver voor een kat iets menselijks; hij kan weliswaar met niemand opschieten, wordt door gekken en idioten omringd, maar met de schrijver is niets mis. Hoe zou hij anders zoveel van een kat kunnen houden? Niet het voorspelbare, dociele gedrag van een blaffende hond die luistert naar bevelen van het baasje, nee de onberekenbaarheid en eigenzinnigheid van een kat spreken hem aan. Een vorm van herkenning, schoonheid en troost.

Een mooi beeld: de poes die uren lang op een stoel, op een tafel, of naast de auteur op het bureau ligt, terwijl de schrijver denkt, zijn pen hanteert of typt. Ieder in hun eigen wereld, de schrijver en de kat. Maar met elkaar kunnen ze het goed vinden. Soms kijken ze elkaar even aan. De poes geeft een knipoog. "Hoe wordt zo'n nietig ding dat je voorzichtig met je hand opzij kunt vegen als het onvervulbare verlangens heeft, tot een persoonlijkheid die een groot deel van je leven beheerst," vraagt Jan Wolkers zich af in het fragment De junival, dat is opgenomen in Negenenhalf leven, nieuwe en klassieke kattenverhalen. Die persoonlijkheid wordt mede ontwikkeld door de stilzwijgende verstandhouding. Voske, zoals de poes van Wolkers heette, heeft hem 21 jaar gezelschap gehouden. Ze lag graag naast de typemachine op het bureau. Ze wist precies waar ze moest liggen zonder door de wagen van de typemachine geraakt te worden. "En zodra ze de machine hoorde ratelen vlijde ze zich daar neer en bleef liggen tot ik met werken ophield. Dat heeft ze zo volgehouden, genietend van het geluid en de warmte van de bureaulamp. Meer dan twintig jaar."

Voor een schrijver is de vertrouwde aanwezigheid van de ogenschijnlijk slapende poes zowel rustgevend als inspirerend. Af en toe kijkt de schrijver op van zijn tekst. Hoe verder? De poes heeft er zo te zien alle vertrouwen in. Niks om je zorgen over te maken. Mooi. En wat fijn dat zo'n onberekenbaar beest zo lang, zo dichtbij, zo tevreden is. En zelfs als ze na enige uren, door aan de boekenkast te krabben, duidelijk maakt dat ze naar buiten wil, blijkt dat je zelf ook wel even aan een loopje, koffie of iets eten toe bent. Bovendien leidt zo'n onderbreking vaak tot een idee, een gedachtesprong, een overgang. De poes als muze. Hooghartig langzaam loopt ze naar buiten als je de deur voor haar open houdt.

"De kat heeft zich ondertussen verplaatst," schrijft W.F. Hermans in De liefde tussen mens en kat, een uitgaafje van 1985, "en is op een al even volle tafel naast mijn schrijftafel gaan zitten, met haar rug naar mij toe. Ze kijkt naar de kier tussen deur en deurpost, waar doorheen ze binnengekomen is. Er valt daar absoluut niets te zien. Maar zonder zich overigens te bewegen, draait zij plotseling haar kop naar me om. Ik spreek een paar woorden tot haar. Ze laten geen zichtbare indruk achter, werken niets uit. Intussen heb ik bedacht wat ik nog meer wil schrijven en, als de machine alweer enkele minuten haar letters op het papier hamert, springt de kat zonder groeten op de grond en verlaat de kamer."

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda