FacebookTwitterLinkedIn
dinsdag, 13 October 2015 15:06

Jihad toen en nu

Tekst: Koen Vossen Tekst: Koen Vossen

De zouaven in de negentiende eeuw waren maar al te graag bereid te sterven voor hun paus. De jihadisten van nu sneuvelen voor hun kalief. Wie hen wil begrijpen, brengt het best een bezoek aan Oudenbosch.

De Nederlandse jihadisten in Syrië en Irak behoren op dit moment zonder twijfel tot de meest gevreesde landgenoten. Minister-president Mark Rutte ziet ze liever dood dan levend terugkeren. De Nederlandse veiligheidsdiensten volgen hen op de voet. De vrees lijkt terecht want in verschillende Europese landen hebben door de strijd in Syrië geharde jihadisten al aanslagen gepleegd. Het is dan ook in ons aller belang om meer te weten te komen over de motieven van deze oorlogsvrijwilligers. Wat bezielt deze jongens om ver van huis te vechten voor een weinig gangbaar ideaal? Hoe moet hun hang naar geweld begrepen en verklaard worden?

Goddeloos liberalisme

Het ligt het meest voor de hand om de antwoorden op zulke vragen te zoeken bij radicaliseringsdeskundigen die zich de laatste jaren bezig hebben gehouden met de aantrekkingskracht van het jihadisme. Zij wijzen daarbij meestal op gevoelens van uitsluiting en discriminatie maar ook op een vooral bij adolescenten levende behoefte aan een helder omlijnde identiteit en een dwingende groepscultuur. Maar ook op een minder gebruikelijke plaats kan naar antwoorden worden gezocht. In het West-Brabantse Oudenbosch bevindt zich een museum dat in zijn geheel is gewijd aan een andere groep religieus geïnspireerde jongens die honderdvijftig jaar besloten om in het buitenland te gaan vechten. Zouaven, zo heetten deze katholieke vrijwilligers die na 1865 vanuit heel Europa naar Rome trokken om de paus te helpen in zijn strijd voor het behoud van zijn eigen theocratische staat. In het Zouavenmuseum, dat gelegen is naast de van heinde en verre zichtbare Basiliek van de H.H. Agatha en Barbara (een verkleinde kopie van de Sint-Pieter in Rome), zijn tal van foto's, uniformen, vaandels en brieven te vinden van deze vrijwel vergeten groep oorlogsvrijwilligers. Wat leren hun lotgevallen ons over de huidige jihadisten?

Om de zouaven te kunnen begrijpen is het allereerst nodig om de historische context te schetsen. De Pauselijke Staat was tot 1860 een van de onafhankelijke staten op het Italiaanse schiereiland, dat in staatkundig opzicht een lappendeken was. Het voortbestaan van de Pauselijke Staat was echter in gevaar gekomen door het Italiaanse eenheidsstreven dat als Risorgimento ('herrijzenis') is bekend komen te staan. Italiaanse nationalisten als Garibaldi en Mazzini wilden een Italiaanse eenheidsstaat waarin een duidelijke scheiding tussen kerk en staat bestond en waar voor de Pauselijke Staat geen plaats was. Paus Pius IX, bijgenaamd Pio Nono, verzette zich fel tegen de Risorgimento. Niet alleen wilde hij geen afstand doen van zijn 'wereldlijke macht', maar ook keerde hij zich tegen het goddeloze liberale nationalisme waarop het eenheidsstreven was gestoeld. In de encycliek Quantum Cura en de aangehechte Syllabus Errorum (lijst van dwalingen) veroordeelde hij het liberalisme als een van de belangrijkste dwalingen van de moderne tijd. Het liberalisme was een kind van de Verlichting en de Franse Revolutie en vormde daardoor een grote bedreiging voor de Kerk en de christelijke beschaving, zo heette het. Bovendien verhief Pio Nono zijn strijd voor behoud van zijn wereldlijke macht tot een Heilige Oorlog. 'De zaak des Pausen is de zaak van God', zo luidde de slogan waarmee de paus katholieke jongens opriep om dienst te nemen in zijn leger. Die vrijwilligers waren broodnodig want bij gebrek aan een ordentelijk leger was de paus reeds een groot deel van zijn grondgebied kwijtgeraakt. Wat restte was een strook land van 60 bij 120 kilometer rondom Rome dat bekend stond als het Patrimonium Petri.

Voortvarende werving

Tussen 1864 en 1870 gaven rond de 11.000 fanatieke katholieke mannen gehoor aan de oproep van de paus om dienst te nemen in het Korps der Pauselijke Zouaven, een naam die door de Franse bevelhebber Becdelièvre was bedacht als eerbetoon aan een Algerijnse stam met dezelfde naam. Het uniform van de Pauselijke Zouaven, met de wijde blauwgrijze pofbroek en bolero-achtig jasje, was eveneens geïnspireerd op deze Algerijnse Zouaves. De vrijwilligers kwamen uit de meest uiteenlopende landen. Er waren veel Fransen en Belgen, maar ook waren er groepjes Canadezen, Ieren, Russen en zelfs een enkele Chinees. De Nederlanders vormden echter veruit de grootste groep: minstens 3200 vrijwilligers, maar waarschijnlijk meer, waren afkomstig uit Nederland.

Met het grote aantal zouaven is meteen een eerste belangrijke verschil met de hedendaagse jihadisten genoemd. Zelfs de meest ruime schattingen gaan uit van niet veel meer dan 200 jihadisten die naar Syrië of Irak zijn afgereisd. Het hoge aantal zouaven krijgt nog extra gewicht als bedacht wordt dat de katholieke gemeenschap met één miljoen zielen in die jaren ongeveer even groot was als de islamitische gemeenschap nu. Het hoge aantal hangt samen met een ander belangrijk verschil tussen de hedendaagse jihadisten en de zouaven, namelijk de organisatie die achter de werving schuil ging. Die is in het geval van de Syriëstrijders uitermate schimmig en zij wordt niet erkend door de officiële moslimorganen. Zoals Jessica Stern en J.M. Berger in hun recente boek over de Islamitische Staat (ISIS. The state of terror) hebben laten zien zijn sociale media zeer belangrijk voor propaganda en werving. Daar tegenover ging achter de rekrutering van de zouaven een grote organisatie schuil, namelijk de rooms-katholieke kerk. In Nederland was de werving uiterst voortvarend ter hand genomen door de Amsterdamse priester Cornelis de Kruyff en de pastoor van Oudenbosch Willem Hellemons. In katholieke dagbladen als De Tijd, maar ook tijdens de heilige mis in tal van dorpen werden jongens opgeroepen zich te melden. Anders dan bij de tegenwoordige jihadisten golden er allerlei vereisten voor potentiële zouaven, zoals een bewijs van goed gedrag van de plaatselijke pastoor, toestemming van de ouders, een minimumleeftijd van achttien jaar en een ongehuwde status. De vrijwilligers konden zich melden in Oudenbosch waar vandaan ze via Brussel, Parijs en Marseille uiteindelijk per boot naar Italië reisden, alwaar ze werden ondergebracht in de Hollande Sociëteit in Rome.

Krijgshaftige onderdanen

In de katholieke gemeenschap werd met trots meegeleefd met de lotgevallen van de zouaven waarover in De Tijd en de Katholieke Geïllustreerde uitvoerig werd bericht. Sommige zouaven genoten zelfs een heldenstatus zoals de boomlange Pieter Jong die met zijn geweer veertien soldaten van Garibaldi doodsloeg alvorens zelf te sneuvelen. Nog in 1927 was de reus uit Lutjebroek onderwerp van een door het RK Jongensweeshuis uitgebracht boek getiteld Pieter Jong, de held van Lutjebroek.

Daarentegen hangt rond de huidige jihadisten vooral de geur van dood en verderf. Hoewel uit enquêtes is gebleken dat veel moslims wel enig begrip voor de Syriëstrijders kunnen opbrengen, is er geen sprake van openlijk eerbetoon voor jihadisten. Integendeel, ouders wordt op het hart gedrukt om tijdig tekenen van radicalisering te onderkennen: de Stichting Marokkaanse Nederlanders heeft er zelfs een telefonische hulplijn voor in het leven geroepen. Die zorg is begrijpelijk want de kans dat jihadisten levend terugkeren is een stuk kleiner dan in het geval van de zouaven. Uiteindelijk hebben de zouaven tussen 1865 en 1870 maar een enkele keer kleine veldslagen geleverd met de nationalistische legers. De meeste tijd hielden zij zich bezig met ordehandhaving, het jagen op bandieten en het bieden van hulp bij de bestrijding van een cholera-epidemie in het stadje Albano. Bij die laatste actie kwamen meer zouaven om dan tijdens een van de veldslagen. Volgens opgave van het museum in Oudenbosch sneuvelden 25 Nederlandse zouaven op het slagveld, maar kwamen maar liefst 170 van hen om door ziektes en ongevallen.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda