FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
dinsdag, 13 October 2015 09:14

Naar een vleesloze wereld

Tekst: Lucas van Heerikhuizen. Beeld: Hollandse Hoogte Tekst: Lucas van Heerikhuizen. Beeld: Hollandse Hoogte

“Afkeer van wreedheid en moord op weerloze dieren.” Hiermee motiveerde de prominente socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846 – 1919) zijn keuze geen vlees te willen eten. Zou kweekvlees hem wel bevallen? Een terugblik op ruim een eeuw aan vegetarisme in Nederland.

De keuze om geen dieren te willen eten gaat zo ver terug als Pythagoras (570 – 495 voor Christus). Maar pas rond de vorige eeuwwisseling nam hier in Nederland vegetarisme georganiseerde vormen aan. Maatschappijkritische bewegingen in deze tijd bevorderden de praktische kant van het vegetarisme. Vegetarisch Hotel-Restaurant Pomona dat in Den Haag, opgericht in 1913, fungeerde als vlaggenschip voor het jonge vegetarisme in Nederland. Dirk-Jan Verdonk schrijft in zijn proefschrift Het dierloze gerecht over Pomona: “Het was de trots van vegetarisch Nederland en internationaal vermaard.” Vele vegetarische restaurants volgden naar het voorbeeld van Pomona.
Vegetariërs vormden een kleine groep met specifieke belangen en een eigen behoefte aan kennis. Om hierin te voorzien werd in 1894 de Vegetariërsbond opgericht. Hij spoorde al bestaande restaurants aan vegetarische gerechten te serveren. De publicatie de Vegetarische Bode werd het blad van de bond waarmee kennis landelijk kon worden gedeeld, zoals vegetarische recepten, informatie over voeding en over in welke restaurants men vegetarisch kon eten. De invloed van de Vegetariërsbond steeg omdat zij steeds meer leden tot haar groep mocht rekenen. Het ging bij aanvang nog om drieëndertig leden. Tien jaar later waren dat er al zeshonderd.

Utopische dromen

Een reden om voor het vegetarisme te kiezen was gezondheid. Vegetariërs waren bijvoorbeeld ook vaak geheelonthouders. Zij vonden niet zelden steun in bepaalde religieuze opvattingen. Invloedrijk op dit gebied was bijvoorbeeld de protestants-christelijke stroming van de zevendedagsadventisten. Zij staan een gezonde levensstijl voor omdat zij het eigen lichaam zien als een tempel waar je goed voor moet zorgen. Zij beroepen zich daarbij op de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs ( 6,19-20): “Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent? U bent immers duur gekocht. Verheerlijk daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn.”
Er zijn meer argumenten behalve gezondheid. Vlees eten is bijvoorbeeld verspillend. Al aan het begin van de twintigste eeuw speculeerde men hierover. Verdonk beschrijft hoe mensen rond 1900 dromen van “dertig mensen onderhouden van een stuk grond dat bij een vleeshoudend dieet slechts voldoende oplevert om één persoon te voeden.” Een beetje hoog geschat – in werkelijkheid gaat het om 5,2 tot 5,7 mensen volgens Verdonk – maar de dromers hadden wel al goed begrepen dat vlees eten verspillend is.

Naast een economische argument (veehouderij is verspillend) en een gezondheidsargument (vlees eten is ongezond) bestond er ook nog het morele argument voor vegetarisme: medeleven met dieren. Niet de minste leden van de Vegetariërsbond stonden zich hierop voor. Prominent socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis, lid van de Vegetariërsbond, koos voor dit dieet uit “afkeer van wreedheid en moord op weerloze dieren”. Solidariteit, de motor van het socialisme, paste Domela Nieuwenhuis zodoende op dieren toe. Felix Ortt, voorman van een christen-anarchisme dat zich beriep op de Bergrede en voorzitter van de Vegetariërsbond van 1896 tot 1898, paste het ‘beginsel der Liefde’ toe op dieren zowel als mensen.
Een gevoel met alle wezens verbonden te zijn verschilt van het orthodoxe christelijk idee dat mens en dier categorisch van elkaar onderscheidt. Zo staat bijvoorbeeld in het Oude Testament (Genesis 9,3): “Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.” Mens en dier worden als twee absoluut verschillende categorieën gekenmerkt. Charles Darwin gaf echter een reden om aan een strikte scheiding tussen mens en dier te twijfelen. Zijn evolutieleer beweert dat de mens zelf een dier is en nauw verwant is met alle andere dieren.

Mensen ontwikkelden rond deze tijd droombeelden, utopieën. Het paste bij een optimisme dat rond de vorige eeuwwisseling ontstond. De toekomst zag er zonnig uit. Dromen mocht. Zo komen we aan een beeld van de vegetariër als een optimist, als iemand die durft te hopen op een moderne wereld waarin mensen geen vlees meer eten. Dit type vegetariër keek met hoop naar de technologie. In de negentiende eeuw heeft technologische innovatie de mensheid veel opgeleverd. Zou door machinale productie dan ook niet een plantaardig alternatief voor vlees te maken zijn?

Kil en berekenend

De onrealistische dromers hebben hoop. Zij geloven een perfecte wereld tot stand te kunnen brengen met behulp van wetenschap en techniek. Dieren eten is dan niet meer nodig. De twee wereldoorlogen gevolgd door de Koude Oorlog hebben deze droom verstoord. In de negentiende eeuw was geloof in technologie als oplossing voor alle menselijke problemen nog verdedigbaar. Denken over wetenschap kreeg in de twintigste eeuw opeens een zwarte tegenhanger. Optimisme was niet meer vanzelfsprekend.
Droombeelden werden bovendien opgeschud door de opkomst van de bio-industrie na de Tweede Wereldoorlog. Moderne technologie zorgde er niet voor dat vleesconsumptie overbodig werd. De consumptie daarvan nam juist toe. Wetenschappers bedienden zich bovendien steeds meer van proefdieren. Allemaal redenen om wetenschap en technologische vooruitgang te wantrouwen. De massale slacht, nu in de vorm van lopendebandwerk, leverde angst op voor een bepaald soort samenleving. Het omgekeerde van een utopie: een dystopie.

Er ontstond wantrouwen tegenover een kil en berekenend economisch denken over het houden van dieren. Tegelijkertijd kwamen er meer rationele argumenten op. Filosoof Jeremy Bentham hanteerde in de achttiende eeuw al leed als meeteenheid voor moraal. Hij brengt de kwestie terug tot een morele vraag: “De vraag is niet, kunnen dieren logisch redeneren? en ook niet kunnen ze praten?, maar kunnen ze lijden?” De invloedrijke Australische filosoof Peter Singer, gespecialiseerd in ethische vraagstukken, borduurt in 1975 voort op deze vraag in zijn boek Animal Liberation (in het Nederlands vertaald als Pro mens pro dier). In lijn met Darwin ziet Singer het onderscheid tussen mens en dier als een onhoudbare, culturele constructie, die hij als speciesistisch bestempelt (Latijn: species = soort). In Animal Liberation schrijft hij: “De kern van dit boek is de stelling, dat het discrimineren van levende wezens alleen op grond van hun soort een vorm van vooroordeel is, die al even immoreel en onverdedigbaar is als discriminatie op grond van ras.” Hij zegt over deze conclusie verder: “Ik heb haar beredeneerd, en veeleer een beroep gedaan op de rede dan op het gevoel.” Singer hanteert een harde toon die wars is van misleide sentimentaliteit.

Gewelddadige nachtmerries

“Zo lang dierenmoordenaars beschermd worden door wetten die niet deugen, zullen dieren moeten beschermd worden door mensen die voor de wet niet deugen”: zo wordt in een rapport van de AIVD uit 2004 het motto van actievoerders voor dierenrechten krachtig samengevat. Fanatieke actievoerders stonden er inmiddels om bekend McDonalds vrachtwagens in brand te steken en nertsen te bevrijden. Ze werden gevreesd als opstandige ordeverstoorders. Geweld kenmerkte een type dierenrechtenactivisme dat in de jaren tachtig en negentig opkwam. De nietsontziende logica van Singer in combinatie met minachting voor emotionele bezwaren maakte gewelddadige acties mogelijk. Het was dat men om een grote groep (lees: niet-menselijke dieren) te redden een kleine groep dieren (lees: mensen) mocht schaden. Gewelddadig verzet en sabotage werden zo gerechtvaardigd. Dit zorgde voor een nieuw beeld: de niets ontziende dierenhooligan met een bivakmuts op zijn hoofd. Een dreiging, een terrorist.

Dromen is in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw uit en kil redeneren is in, zowel door de bio-industrie als door haar tegenstanders. Aan beide kanten is ook sprake van geweld. De dromers van rond 1900 kwamen destijds in actie omdat zij dachten het verschil te kunnen maken. De bestrijders van de bio-industrie kwamen ook in actie. Het vertrouwen het verschil te kunnen maken waren zij echter kwijt. Zij redden slechts wat er te redden valt maar verwachtten de komst van het tegenovergestelde van een utopie: een dystopie.

De vrolijke vegetariër

Er zijn nog altijd utopische dromers. Er zijn ook nog altijd actievoerders. Maar sinds kort is er ook nog een derde soort bijgekomen: de vrolijke vegetariër. Sinds de eeuwwisseling heeft vegetarisme een ander imago gekregen. Hedonisme vond er een plek. Eten hoeft niet alleen vegetarisch en gezond te zijn maar mag best ook een beetje lekker zijn. Een wijntje erbij moet inmiddels kunnen. Dat is een andere houding dan die van de geheelonthouders en gezondheidsfreaks. Een gat in de markt voor slimme ondernemers die zelf niet noodzakelijk vegetariër zijn. Dat leidt tot nieuwe eetgelegenheden voor een breder publiek. Producten worden alsmaar beter, zoals de nieuwe golf aan producten van De Vegetarische Slager laat zien. Er is zelfs een glossy voor vegetariërs, Sla, en uiteraard weet het dier zich in de politiek vertegenwoordigd door de Partij voor de Dieren. Vegetarisme is bovendien niet meer zo absoluut, waar er ruimte is voor ‘flexitarians’ (wel vis, geen koe) en parttime vegetariërs (vandaag geen vlees, morgen wel).

Niet iedereen is gecharmeerd van deze nieuwe postmoderne groep vegetariërs. In een uitzending van Metropolis van de VPRO uit 1997 – ongeveer de tijd dat deze nieuwe stroming opkomt – merkt de filosoof Huub Briels op: “Nog niet eens zo lang geleden […] haalden wij ons eten bij de Reformshop, want daar was je onder mensen die met dezelfde idealen hun groentepakket aanschaften. En als je er iemand niet kende, dan vróeg je die naar zijn of haar ideaal. Tegenwoordig halen een hoop mensen die zich vegetariër noemen een sojaburger bij Appie Heijn en daar worden ze echt niet meer gevraagd naar wat ze denken. Nee, daar vragen ze of je wilt pinnen.” Deze echo’s uit een ver verleden maken het contrast met de dromers van 1900 zichtbaar. Zij geloofden meer in een holistische visie. De dingen zijn nu anders, dat wijst de parttime vegetariër wel uit.

Ziedaar, een nieuw type dat zich onderscheidt van de utopisten door een minder strenge houding. Tegelijkertijd onderscheiden deze vrolijke vegetariërs zich van de radicale actievoerders door liever goede alternatieven te bieden dan de bio-industrie te bestrijden. Toch is de uiteindelijke oplossing voor het probleem van vleesconsumptie niet een verandering in moraal, militante actie of een hip alternatief. Steeds meer lijkt het erop dat kweekvlees dit probleem met behulp van technologie zal oplossen. De eerste ‘kweekvleeshamburger’ is al gemaakt. Die was duur – 350.000 euro – maar ongetwijfeld zullen wetenschappers erin slagen om de productie steeds efficiënter en dus goedkoper te maken. Door deze ontwikkeling kan de veehouderij geleidelijk aan verdwijnen. Dieren maken dan geen deel meer uit van het productieproces en daarom is kweekvlees eigenlijk vegetarisch vlees. Kweekvlees maakt op deze manier vegetarisme overbodig.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda