FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 28 September 2015 11:57

'Niet de leer maar de praktijk'

Tekst: Cees Veltman. Beeld: Corbino Tekst: Cees Veltman. Beeld: Corbino

Zelf heeft ze 'geen antenne' voor religieuze ervaringen en er ook geen behoefte aan. Toch is Birgit Meyer een gepassioneerde religiewetenschapper. "In de religie komen alle grote vragen aan de orde, van het begin van het leven tot het einde."

De Prijs Akademiehoogleraren van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (1 miljoen euro) én ook nog de Spinozapremie (2,5 miljoen euro) van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, de Amsterdamse van Duitse afkomst Birgit Meyer (55) is er verrukt over. "Ik heb religie altijd een boeiend studieonderwerp gevonden. Hier komen immers de grote vragen van het leven aan de orde: het begin en het einde van het leven, normen en waarden, verbeelding, drijfveren, wensen en angsten van mensen en de niet-tastbare werkelijkheid die in religie tastbaar wordt gemaakt."

Meyer, hoogleraar religiewetenschap aan de Universiteit Utrecht, denkt dat het de jury's heeft aangesproken dat zij elementen uit religiewetenschap, antropologie en mediastudies heeft gecombineerd, wat niet gebruikelijk is in haar vakgebied. Zij ziet de prijzen absoluut niet als bestemd voor haar alleen: "Ze zijn ook een erkenning van het belang van het vakgebied religiewetenschappen. Wij kunnen ons werk nu uitbreiden, onder andere door Afrikaanse onderzoekers aan te trekken. Zo zullen we de religieuze verscheidenheid wereldwijd beter in kaart kunnen brengen. De studie van religie staat niet hoog op de agenda van Nederlandse bestuurders met hun diepgewortelde en achterhaalde opvattingen over secularisatie als zou religie steeds meer een privékwestie worden en uiteindelijk verdwijnen. Misschien zullen de prijzen die de religiewetenschap nu heeft gekregen, daar verandering in helpen brengen."

Kern van religie

In haar jonge jaren in het Duitse Emden was Meyer actief in de kleine Reformierte Kirche – behorend tot de familie van de grote Evangelische Kerk van Duitsland – en in de YMCA, de wereldwijde en grootste oecumenisch-christelijke jongerenorganisatie. "Hun sociale werk vond ik het belangrijkst. De leer van mijn kerk vond ik minder interessant. Wij voerden in die tijd actie voor de vrijlating van Nelson Mandela en voor projecten in de derde wereld. Later studeerde ik in Bremen orthopedagogiek, want ik wilde lerares worden voor kinderen met een handicap, zoals autisme. Vooral om zo andere manieren van denken te leren begrijpen. Daarnaast koos ik voor religiewetenschap, met precies hetzelfde doel. Ik wilde geen predikant worden, maar meer te weten komen over drijfveren van mensen. Dat is nuttig als je een wereld wilt begrijpen die steeds diverser wordt. We krijgen nu ook in Nederland steeds meer te maken met nieuwe Nederlanders, met een heel andere culturele achtergrond dan wat de autochtone bevolking gewent is."

Ze zegt niet in God te geloven: "Als je gelovigheid zo definieert, ben ik ongelovig, maar ik ben nog wel lid van de Reformierte Kirche. Dat lidmaatschap zal ik niet zo gauw opzeggen want ik ben in die kerk opgegroeid. Het is een nuchtere kerk waarin een beetje meewarig wordt aangekeken tegen rituelen om met het goddelijke in aanraking te komen. Ik kon dat helemaal meevoelen. In mijn ervaring was het dus een gemakkelijke en logische stap om te denken dat je het in je leven ook best zonder God af kunt. Ook voor mij is religie vooral iets doen in het hier en nu. Dat zou je ook wel de kern van religie kunnen noemen, ja. Maar ik heb voor het overige nu eenmaal geen antenne voor religieuze ervaring en rituelen en er ook geen behoefte aan."

Afrikaanse protestanten

Tijdens haar studie aan de Universiteit Bremen kwam zij terecht in West-Afrika, in een dorp in Togo – tot 1918 een Duitse kolonie – om te helpen bij de bouw van een school. Daar bleken ze niet alleen inheemse goden te vereren maar ook een kerk te hebben, nota bene gesticht door mensen uit haar woonplaats. "Mijn belangstelling voor Afrika begon met Afrikaanse muziek. Bremen had met zijn haven vanouds banden met Afrika en studenten uit Afrika. In Togo bleken de mensen sterk met religie bezig en zijn ze protestant. Afrika boeit me nog steeds door zijn ritme van het alledaagse leven."

In 1985 ging Meyer antropologie studeren aan de Universiteit van Amsterdam vanwege de internationale faam van deze universiteit. In 1995 promoveerde zij op het werk van de Noord-Duitse zending in Afrika. "Ik vond het boeiend te zien hoe mensen met zeer verschillende achtergronden met elkaar te maken kregen en hoe zij elkaar beïnvloedden. Veel Afrikanen hebben door zending en missie hun inheemse goden opzijgezet. Ze zijn die als gevaarlijke demonen gaan beschouwen, zoals de boodschap van de negentiende-eeuwse zendelingen en missionarissen was. Ook nu nog vinden ze op die manier aansluiting bij de moderne tijd. Ze nemen afscheid van het vaak zeer uitgebreide familieverband. Dat laatste pakt voor de zwakkeren onder hen soms zo verkeerd uit dat ze terugkeren naar hun inheemse religie. Voor anderen is het een bevrijding minder aan strakke regels gebonden te zijn, dus meer vrijheid te hebben en alleen voor het eigen gezin verantwoordelijkheid te hoeven dragen.

Aan de ene kant kun je je afvragen hoe de zich superieur voelende zendelingen het in hun hoofd haalden andere mensen andere geloofsopvattingen op te dringen. Aan de andere kant is het mooi dat wij er in het Westen nu nog van kunnen leren hoe Afrikanen de flexibiliteit en de bereidheid opbrengen om hun geloof op te geven en zichzelf te veranderen. Gewoon uit openheid voor het nieuwe. Hier in het Westen hebben wij immers nog steeds de neiging ons op te sluiten in onze culturen. Maar we kunnen dus ook gastvrijheid verlenen aan het andere dat van buiten komt. Dat kweekt wederzijds begrip."

Nieuwe vragen

De sluiting van de theologieopleidingen aan de openbare universiteiten van Amsterdam, Utrecht en Leiden ziet Meyer als een symptoom van een verminderd belang van het christendom in Nederland. De verschuiving in aandacht van de theologie naar de religiewetenschap aan de universiteiten vindt zij begrijpelijk, gezien het dalende aantal studenten dat predikant wil worden én de toenemende religieuze pluriformiteit. "De sterke nadruk op de christelijke traditie in de manier waarop onderzoek en onderwijs met betrekking tot religie – ook aan openbare universiteiten – was opgezet, strookte niet langer met het pluriforme religieuze landschap in Nederland. De introductie van een op verschillende religieuze tradities gerichte religiewetenschap die religie in al haar uitingsvormen bestudeert vanuit een sociaal- en cultuurwetenschappelijk perspectief, moet dit veranderen."

Zorgelijk vindt zij wel dat met de afschaffing van theologie veel nog steeds relevante expertise verdwijnt. "We krijgen minder wetenschappers die de Bijbel in de grondtalen kunnen interpreteren en het gevaar bestaat dat de studie van bronnen en geschiedenis van de godsdienst te veel wordt overgelaten aan – voor een deel conservatieve – theologen in confessionele instellingen. Ontkerkelijking betekent niet dat de materiële expressies van het christendom zomaar verdwijnen, de vorming van christelijk erfgoed – en daarmee dus de toekenning van waarde aan elementen uit het religieuze verleden – is volop gaande. Christelijke symbolen worden immers nog steeds gebruikt, ook in de populaire cultuur, en er zijn tal van kerkgebouwen die een nieuwe bestemming moeten krijgen. Er is kennis over de christelijke religie nodig om deze processen te kunnen begrijpen. Aan de andere kant is de beleving van religie nu veel breder door de groei van de islam, nieuwe vormen van spiritualiteit, het boeddhisme, het hindoeïsme en pinksterkerken in Nederland. Daar moet meer onderzoek naar worden gedaan. De komst van de nieuw op te richten Netherlands Academy of Religion zal daar een bijdrage aan kunnen leveren door onderzoekers samen te brengen."

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda