FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 10 September 2015 09:06

Waterpsalmen

Tekst: Nico Keuning. Beeld: Merlijn Doomernik Tekst: Nico Keuning. Beeld: Merlijn Doomernik

De gedichten van Ellen Deckwitz vertellen een verhaal over het kind, jeugd, (groot)ouders. Heden en verleden. De onheilspellende waterpsalmen in haar recente bundel De blanke gave verwijzen naar klimaatsverandering, overstromingen, ondergang.

Ellen Deckwitz (Deventer, 1982) is dichter en podiumdier. Ze staat in binnen- en buitenland tijdens poëziefestivals op de planken. Ook als presentator. Zij werd Nederlands kampioen Poetry Slam en won de C. Buddingh' prijs. Haar poëtisch oeuvre is nog jong en overzichtelijk. In de afgelopen vier jaar publiceerde zij drie dichtbundels. In haar beeldende poëzie tekent zich een ontwikkeling af, waarin de grote boze wereld het domein van het kind binnendringt. Niet langer kan het kind of het meisje haar eigen beeld van de wereld fantaseren. Het meisje is vrouw geworden. Maar ook de werkelijkheid kan zij met associaties en gedachtesprongen in beelden beschrijven en daarmee binnen het gedicht, in een cyclus of bundel een eigen universum creëren. In haar gedichten schiet Deckwitz vanuit een actueel perspectief heen en weer tussen verleden en heden, tussen persoonlijke (grootouders) geschiedenis en een (pre)historische achtergrond. Poëzie als positiebepaling en soms als komisch commentaar.

Oervader

Dat Deckwitz in beelden schrijft, blijkt meteen al in de eerste regel van haar eerste bundel De steen vreest mij (2011): "Takken een donkere rij vingertoppen". De regel loopt door in de volgende regel: "boven een mouw van gras." De maan is 'een afgescheurde kindernagel.' Het beeld zegt iets over de dichter, die schrijft vanuit het perspectief van een kind dat nagels bijt. Tegelijkertijd wordt het kind in een groot verband geplaatst van hemel, aarde en broertje. Er zijn (groot)ouders.

In een van de eerste gedichten figureert een grootvader als beschermer. Het vertrouwen van het kind in deze oervader zou je een vorm van geloof kunnen noemen. In het gedicht lijkt sprake van een dijkdoorbraak, "als op de Dam de massa breekt".

en mensen waartussen een donkere man
wordt vastgeklemd. Dat ook dit geloof is,
een gladde zee waarop je zeilen kan.
Mijn schouder onder zijn hand.

De grootvader 'gelooft in de profeet Elia', wordt een paar bladzijden verder verteld. Elia is volgens de bijbelse overlevering niet gestorven, maar ten hemel gevaren met vurige paarden. Dergelijke verhalen voeden de fantasie van het kind dat in iets hogers gelooft "dat er iemand in mijn jas huist / die mijn steeds blekere / knokkels hoedt".

Naast hemel en aarde is er de dood. De Hades, vertelt grootvader. Dan volgen er enkele angstige gedichten met beelden van een gevelde eik, een kuil. De ik graaft haar broertje op in de laatste strofe van het laatste gedicht van de bundel:

Mijn broertje hoest kluiten op,
zinkt terug wel ik kan er tegenop
graven, de steen vreest mij
omdat ik hem stuk zal slaan.

Raadselachtig

Hoi feest is de vrolijke titel van de tweede bundel, die in 2012 verschijnt. Opnieuw zijn de gedichten in reeksen ondergebracht. Maar nu hebben de delen titels die elkaar afwisselen: Handen en Anderen. Het eerste deel handen begint met een opdracht:

Vouw je handen in elkaar en ga
de betekenissen na die opkomen:

1a. bidden (ze nemen toe),
1b. applaus (ze vallen af).

Het gegeven handen en anderen suggereert ook vasthouden, strelen, loslaten. Het meisje is op vakantie tussen de anderen. Witte wieven, jongens, seksuele aberraties, ze keurt de mannen en wijst ze af. Haar lief is een meisje, staat er in de cyclus Handen II: "Haar vlechten rusten tussen mijn benen als ze de lucht uit me zuigt".

Sommige gedichten zijn raadselachtig en ongrijpbaar als een kinderfantasie. Volgens de merlynisten (van het tijdschrift Merlyn) in de jaren '60, onder aanvoering van Kees Fens, moeten gedichten op zichzelf staan. De tekst is autonoom en heeft een eigen betekenis, een eigen waarheid, zonder verwijzing naar de werkelijkheid buiten het gedicht. Maar als je de werkelijkheid achter de gedichten in de bundel Blauwzuur van Gerrit Achterberg kent, krijgt deze poëzie een heel andere betekenis in de context van een psychiatrische inrichting, waarin de hoofdpersoon onder behandeling is. De poëzie wordt er sterker, aangrijpender door.

Deckwitz heeft achter in de tweede bundel Aantekeningen opgenomen, waarin zij haar speciale dank uitspreekt voor de samenwerking met het Scapino Ballet Rotterdam, "waardoor de basis van deze bundel ontstond". Dat verklaart de handen in de gedichten. "De cyclus Handen II is opgedragen aan Eva Meijer," schrijft ze. Wie is Eva Meijer? Volgens google een schrijfster, dichter, performer, beeldend kunstenaar, singer-songwriter. In dit geval werkt de 'aantekening' verwarrend. Wat suggereert deze mededeling in relatie tot de gedichten?

Van meer gedichten wordt de aanleiding of oorsprong gegeven. Bijvoorbeeld het gedicht dat is geschreven naar aanleiding van een bezoek aan psychiatrisch centrum Den Dolder. De kennis van de werkelijkheid raakt in dit geval als bij Achterberg wel aan een beter (dubbelzinnig) begrip van het gedicht:

Er ligt geen water op de weg,
het zijn slechts kwijlplekken van slapend
land. Ze liggen aan de voet van een pand
waar je altijd nog heen kan.

Ook kun je eromheen lopen
tot je eruit bent. Je mag ook blijven
tot je thuis bent.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda