FacebookTwitterLinkedIn
woensdag, 05 August 2015 09:11

'Durf de wereld waar te nemen'

Tekst: Bert van der Kruk. Beeld: Inge Hondebrink Tekst: Bert van der Kruk. Beeld: Inge Hondebrink

Albert Ploeger heeft het niet zo op christelijke kunst. Te saai, te burgerlijk. Moderne kunstenaars tonen volgens hem veel beter waar het in het Evangelie om draait. Daarvoor moet je wel durven kijken. "Kunstenaars nemen beter waar dan theologen."

Albert Ploeger (77) bewandelt graag zijpaden, niet zozeer in het bos als wel in zijn boeken en gesprekken – ook in het gesprek met Volzin over de twee grootheden die hem zijn leven lang vergezellen: godsdienst en kunst. Misschien komt het omdat hij in zijn werkzame leven ook heel wat zijpaden bewandelde en steeds op zoek was naar iets nieuws. Zo begon hij als bouwkundig tekenaar op een architectenbureau met de 'droom' om ook zelf een groot architect te worden. Toen dat laatste er niet bleek in te zitten, ging hij theologie studeren en werd hij – niet echt uit volle overtuiging – predikant. Vervolgens was Ploeger lange tijd godsdienstleraar. Hij promoveerde op een proefschrift over de Duitse filosoof Jürgen Habermas en werd hoogleraar godsdienstpedagogiek. "Ik kon het niet uithouden in één beroep, daarom ben ik vier keer van beroep veranderd. Ik houd erg van nieuwe ideeën."

In zijn functie als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen combineerde Ploeger godsdienst en het kijken naar kunst. Bij zijn afscheid in 2002 verscheen het boek Dare we observe? "Dat is de vraag die me eigenlijk altijd heeft beziggehouden: durven we waar te nemen wat er in de wereld allemaal aan armoede en ellende bestaat, en daar echt consequenties uit te trekken? Kunstenaars kunnen heel goed waarnemen, beter dan theologen." Na zijn pensioen heeft Ploeger direct de praktische theologie vaarwel gezegd – "Ik had het wel even gehad met de kerk, hoewel ik zelf ook een braaf kerkmens ben" – en zich op de kunstbeschouwing gestort. Hij deelt zijn ervaringen, opgedaan tijdens vele reizen en museumbezoeken, met anderen op de website kunstmediaties.nl. Onlangs verscheen zijn boek Als levenden en doden elkaar ontmoeten, waarin kunst, filosofie en theologie centraal staan.

U bent een braaf kerkmens, hoe is dat zo gekomen?
"Ik ben altijd een vroom mens geweest. Ik houd van bidden, van liturgie. Aan de basis van mijn leven ligt een soort bevindelijkheid, gewoon godsvertrouwen. Ik kreeg dat automatisch mee in het protestantse milieu waarin ik opgroeide. Misschien werd de vroomheid extra gevoed door het feit dat mijn vader vroeg overleed. Ik was acht jaar. Achteraf heb ik gedacht dat ik daardoor toch een soort vader heb gehad in God. Bij Freud las ik dat je een vadercomplex hebt als je gelooft, dat je niet zonder de zorg van een vader kunt en eigenlijk niet echt onafhankelijk wilt worden...

Verder ben ik behoorlijk gevormd door predikanten van de Möttlinger beweging, een Duitse opwekkingsbeweging van voor de oorlog, die ook in Nederland actief was. Dominee W. A. Plug gaf mijn gelovige ontwikkeling krachtige impulsen. Ik wil niet zeggen dat ik bekeerd ben, maar ik ervoer wel een verheviging van het gevoel van: ik hoor bij God, ik mag op God vertrouwen en mijn leven is oké. Zoiets. Ik was in die tijd ook erg links – dat ben ik trouwens nog steeds. Lang heb ik gedacht: het communisme is het wel. Tot 1956, toen de Russen Hongarije binnenvielen. In mijn dagboek schreef ik: 'Nu ben ik geen communist meer, alleen nog christen-communist'. Alles gemeenschappelijk, dat vond ik mooi. Dat is altijd zo een beetje gebleven."

Hoe kwam die andere liefde, de kunst, in uw leven?
"Mijn vader had een schildersbedrijf, maar wilde uiteindelijk architect worden. Hij was er al druk mee bezig; hij heeft in Haren een aantal huizen ontworpen. Toen ik later voldoende verstand bleek te hebben om ook een opleiding te volgen, wilden ze in mijn familie dat ik ook architect zou worden; althans bouwkundige, dat was al heel wat. Na mijn opleiding HTS-bouwkunde heb ik elf jaar gewerkt op verschillende architectenbureaus, onder meer bij Bourbonnais in Parijs en Van der Steur in Amsterdam. Ik was daar gewoon bouwkundig tekenaar, zeg maar een hulpje, en kwam er langzaam achter dat ik de capaciteiten niet had om een goed architect te worden. Als ik zag wat voor schitterende dingen die Franse architecten ontwierpen... daar had ik de capaciteiten niet voor. Toen ben ik maar overgestapt naar mijn tweede liefde, mijn vrome liefde, en naast mijn werk theologie gaan studeren in Utrecht.

Ondertussen had ik ook een grote voorliefde voor literatuur en kunst. Wat betreft de kunst is die begonnen in het Kröller-Müller Museum. De vader van mijn vriend Klais Blaauw nam ons – op de fiets vanuit Groningen – mee naar dat museum op de Hoge Veluwe, in 1951. Ik was totaal onder de indruk van wat ik daar zag. Vooral Mondriaan raakte me: een abstract, wat later werk, met rood, geel en blauw. Composition II. Geweldig. Mondriaan is een van mijn grote liefdes geworden en gebleven. Op mijn kamertje thuis had ik een reproductie van hem hangen. Maar ook Van Gogh sprak me als kind aan, want ik houd van kleuren. En een houten paardje van Marino Marini, al weet ik niet of dat er in 1951 ook al stond of dat het later kwam. Als ik nu in het Kröller-Müller kom, ga ik er altijd eventjes heen. Je mag het natuurlijk niet strelen, maar ik doe het toch altijd even."

Uw periode in de kerk heeft niet lang geduurd. Hoe kwam dat?
"Toen ik theologie ging studeren, was het niet mijn plan ook predikant te worden. Ik wist niet zo goed wat ik ermee wilde. Ik wilde vooral weten waarom de kerk zich heeft afgesloten van de arbeidende bevolking en altijd de kant heeft gekozen van de machtigen. Ik heb doctoraal ethiek met industriële verhoudingen gedaan, waarvoor ik nog aan de lopende band heb gewerkt bij Unilever op Feijenoord. Bona en Becel inpakken. Heel boeiend.

Dat het uiteindelijk bij één gemeente is gebleven, Westervoort, komt omdat ik nooit zo kerkelijk ben geweest. Ik vind kerkelijke mensen nogal benepen en burgerlijk, en erg CDA; daar had ik allemaal niks mee. Toen mijn vrouw Joke, met wie ik tegelijk ben afgestudeerd, aan de beurt was om predikant te worden, ben ik godsdienstleraar geworden. Maar ook dat was lastig hoor, ik kon helemaal geen orde houden. Pas toen ik eenmaal hoogleraar was, kon ik veel meer mijn eigen gang gaan en kon ik mijn passie voor de kunst betrekken bij religie."

Waarom was en is dat zo belangrijk voor u?
"Kunstenaars, filosofen en theologen hebben een visie op de samenleving die in veel gevallen op hetzelfde neerkomt. Ze brengen die op heel verschillende manieren onder woorden en putten uit verschillende bronnen, maar verder zijn er heel veel overeenkomsten. Alleen slagen moderne kunstenaars er wat mij betreft veel beter in om te zeggen wat mens-zijn is dan theologen en vaak ook filosofen.

Theologen zijn er over het algemeen het slechtst in. Als ik naar mezelf kijk en mijn theologie, dan denk ik: dat is ook maar een armoedige poging, een van de vele, om iets te zeggen over waar het in het leven wezenlijk om gaat. Kunstenaars kunnen vaak beter waarnemen dan andere mensen. Ze gebruiken vaak metaforen op een zinnebeeldige manier, die wat mij betreft aansluit bij de metaforische taal van het geloof."

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda