FacebookTwitterLinkedIn
vrijdag, 02 January 2015 12:22

Elk woord gewogen

Elk woord gewogen Tekst: Bert van der Kruk Beeld: ANP

In de taal van de poëzie is niks normaal, zegt dichteres Wislawa Szymborska. “Geen steen en geen wolk boven een steen.” Daarom laven zoveel mensen zich geregeld aan gedichten, als medicijn tegen al te gewone woorden. “Ik wil weten dat er een totaal andere wereld bestaat.”

De grote zaal van De Nieuwe Liefde zit vol. Ruim tweehonderd mensen luisteren naar poëzie van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska, voorgedragen door actrice Olga Zuiderhoek. Ze zijn geboeid, dat merk je. Sommigen grinniken af en toe, of mompelen instemmend. Anderen luisteren met de ogen dicht, het hoofd een beetje omhoog. Soms raakt ook Zuiderhoek geroerd. “Ja, die mevrouw kan het goed hè, ik moet mijn tranen wegduwen.” Wie sombert over de staat van de poëzie, moet eens naar zo’n maandelijkse middag in het Amsterdamse debatcentrum gaan. “De zaal wordt elke keer voller en voller”, zo klinkt het. Mensen vinden het kennelijk prettig om gewoon naar gedichten te luisteren, zonder uitleg of toelichting, slechts af en toe onderbroken door passende muziek: ‘We zijn op de weide waar het woord lichaam werd…’

Voorlopig en ontoereikend
Nu is Szymborska (1923-2012) niet de eerste de beste. Zij heeft ook in Nederland een schare lezers die haar ironie en humor bewonderen, haar diepgang en haar oog voor detail. Of haar vermogen om met grote verwondering naar de werkelijkheid te kijken. “Wat we ook van de wereld denken: ze verbaast ons”, zei de dichteres in haar toespraak nadat ze in 1996 de Nobelprijs voor de literatuur in ontvangst had genomen.
Ze ging bij die gelegenheid in op de rol van de dichters in de samenleving. “Hoewel ik de dichters niet het monopolie op inspiratie toeken, reken ik hen niettemin tot de weinige uitverkorenen van de Fortuin.” Maar vraag haar – en andere dichters – niet naar de bron van hun inspiratie. “De bron is altijd een ‘ik weet het niet’. Met elk gedicht probeert de dichter een antwoord te geven, maar zodra hij een punt heeft gezet, begint hij te twijfelen. Hij realiseert zich dat zijn antwoord voorlopig en volkomen ontoereikend is.”
Ze vervolgt: “In de taal van het dagelijkse leven gebruiken we uitdrukkingen als ‘de gewone wereld’, ‘het gewone leven’, ‘de gewone gang van zaken’. In de taal van de poëzie daarentegen, waarin elk woord gewogen wordt, is niets gewoon, is niets normaal. Geen steen en geen wolk boven een steen. Geen dag en geen nacht na een dag. En boven alles niemands bestaan op deze aarde. Het ziet er naar uit dat de dichters altijd veel te doen zullen hebben.”

Onder de taaldouche
Vreemd genoeg ontbreekt Szymborska in de lijst met namen van dichters die afgelopen vijf jaar opdoken in Dichterbij. In deze Volzinrubriek vraag ik mensen naar een gedicht of lied dat hun dicht op de huid zit. In de 108 afleveringen die tot nu toe verschenen, bleek een andere vrouw favoriet: Ida Gerhardt. Haar naam werd acht keer aangedragen. Na Gerhardt volgen Rutger Kopland (4x), Hans Andreus (3) en Remco Campert (3). Verder passeerde er een keur aan binnen- en buitenlandse dichters, maar dus geen Szymborska.
Het is elke keer weer een groot plezier om die rubriek te maken. Als freelance journalist begeef ik mij ook geregeld in andere dan Volzintaalvelden, in de wereld van het onderwijs en de zorg bijvoorbeeld. Als ik te lang vertoef tussen de woorden die daar, vooral op beleidsniveau, worden gebezigd, voel ik me vies worden en verlang ik naar een douche, een taaldouche. Na een paar gedichten van H.H. ter Balkt gaat het weer een stuk beter met me.
Zo werkt dat ook bij acteur en regisseur Hans Croiset. Een gedicht is voor hem “een soort schoonmakingssysteem”. Croiset: “Als je poëzie leest, is het alsof je op stelten over de hindernissen van het dagelijks leven heen loopt. Ik grijp er steeds naar, omdat ik het overzicht wil houden. Omdat ik wil weten dat er een totaal andere wereld bestaat. Het bijzondere is: je hebt maar een paar regels nodig om je helemaal te heroriënteren.”
Dichters zijn voor Croiset de helden van de samenleving, de zieners. “Gedichten komen uit een ander universum; de woorden hebben een andere betekenis dan die wij er als gewone mensen aan geven”, aldus de acteur, die zelfs geraakt wordt door gedichten die als slecht te boek staan. “Al is het maar omdat in de vijfde regel twee woorden op elkaar kunnen botsen die in het dagelijks leven nog nooit iets met elkaar te maken hebben gehad.”

DNA van de poëzie
In de allereerste aflevering van Dichterbij vertelde dichter Ramsey Nasr over een soortgelijke ontdekking. Nadat hij een dichtbundel van Hans Lodeizen cadeau had gekregen en door een bepaald gedicht ‘lam’ was geslagen, deed hij iets wat hij nooit eerder had gedaan. Nasr: “Het gedicht stond op de linkerpagina en ik begon langzaam de rechterpagina over de linker te schuiven, totdat ik op een gegeven moment alleen nog de eerste letters van het gedicht zag. Ik staarde ernaar en schrok enorm.”
Schrikken boven een dichtbundel? Ja, zegt de dichter. “Voor het eerst ervoer ik dat het letters zijn – iets totaal abstracts – waaruit een gedicht is opgebouwd. Ik ervoer tuin, bloemen, geuren, ik rook ze zelfs, maar ik zag gewoon beginletters, e, p, l, a, a, z… Het was de eerste keer dat ik de kracht van letters en van taal ervoer. Ik zag opeens: dit is het DNA van de poëzie. Zesentwintig letters, dat is eigenlijk helemaal niks. Maar je kunt er wel zo’n gedicht mee maken. Toen ik dat zag, sprongen de tranen in mijn ogen.”
Het zit ’m dus niet altijd – of niet alleen – in de betekenis van woorden, ook in hun verschijning, in hun klank of in die ene witregel. Dichteres Marjoleine de Vos wees in dit verband op de troost van de vorm. De Vos: “Doordat iets een bepaalde vorm heeft gekregen, krijgt het zin en betekenis. Dat is voor mij een sterke drijfveer om poëzie te lezen en misschien ook wel te schrijven. Omdat je dan vorm en formulering vindt voor iets wat daarzonder niet bestaat. Het is niet zo dat je voor iets ‘vormeloos’ alleen nog even woorden moet vinden; het is eerder zo dat die woorden maken dat iets bestaat.”
Soms is het maar één regel uit een gedicht die boeit, vertelde predikant Rienks Hoogenkamp: ‘Hoe zal het zijn wanneer de zwaardvis nadert?’ Zo’n zin – in dit geval van Maurice Gilliams – verlaat je toch nooit meer? De rest van het gedicht is lastiger te vatten. Hoogenkamp: “Maar wat zich niet direct gewonnen geeft, vind ik interessanter dan poëzie waar je applaudisserend achteraan loopt. Het alles uitleggend gedicht van Nel Benschop heeft ook zijn functie hoor, maar dat geloof ik wel. En van de precieuze bekaktheid, deftigdoenerij en ironie van Kopland of Herzberg krijg ik jeuk. Geef mij dan maar de pathetiek van de intelligentie.”

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda