FacebookTwitterLinkedIn
vrijdag, 02 January 2015 11:25

‘Ik zoek God niet in het zwarte gat’

‘Ik zoek God niet in het zwarte gat’ Tekst: Chris van Wieren Beeld: Dick van Aalst

 

Altijd nieuwsgierig naar hoe ver we kunnen kijken zoekt sterrenkundige Heino Falcke naar de grenzen van het heelal. Daarnaast is hij lekenpredikant in de Duitse protestantse kerk. “Als geloof en wetenschap botsen, gebeurt er iets belangrijks.”

"Uit de wetenschap komt nooit uitsluitsel over het bestaan van God.” Hoogleraar astronomie Heino Falcke (1966) reist elke dag twee uur naar de Radboud Universiteit in Nijmegen. De winnaar van de prestigieuze Spinozaprijs richt al zijn aandacht op het onderzoek naar zwarte gaten in het heelal. Daarnaast is hij lekenpredikant in Frechen, een stadje nabij Keulen. “Alles wat gebeurt, heeft met God te maken. Je kunt God niet trennen, onderscheiden van de wereld. Dit is de schepping, hij zit daar middenin, bovenop en eromheen. De wet van de zwaartekracht heeft met Gods wetten van de natuur te maken, een vallende pen wijst bijvoorbeeld op de betrouwbaarheid van God.”

Het is bijna kerst. Bestond er zoiets als een kerstster?
“Ik vind het niet vanzelfsprekend dat het verhaal over de wijzen en de ster helemaal verzonnen is door Matteüs, zoals sommige historici stellen. Veel elementen in het verhaal vallen goed te rijmen met wat er in die tijd gebeurde. Natuurlijk is er een symbolische laag achter het verhaal, maar het feit dat er symbolische elementen in een verhaal zitten betekent niet dat het niet werkelijk gebeurd is. Een plausibele theorie voor de ster van kerst is een constellatie van planeten van onder andere Jupiter en Saturnus. Een bijzondere verzameling van lichamen aan de hemel die, wanneer je terugrekent, inderdaad plaatsgevonden heeft. In die tijd hebben astronomen, wijze mannen of vrouwen, naar de sterren gekeken en heel precies kunnen voorspellen waar planeten zich zouden bevinden. Deze mensen waren net als ik bekend met de wetenschap. Zij waren op zoek naar iets nieuws, ze hoopten op een nieuwe koning. Deze ‘magi’ hadden in die tijd ook de rol om een nieuwe koning ritueel in te wijden en zochten hier in de natuurwetenschap misschien aanwijzingen voor. Deze wijzen, academici misschien, waren op zoek naar iets en gingen vol enthousiasme op zoek. Daar kan ik mij wel in vinden als wetenschapper.

Waar zoekt u naar in het heelal?
“Op dit moment ben ik heel concreet aan het werk om een zwart gat op de foto te zetten. Wat een zwart gat binnengaat, komt er niet meer uit, ook licht niet. Dus probeer ik een plaatje te maken van het gas aan de rand van een zwart gat. Dat gas straalt helder, maar om dat te zien moeten telescopen over de hele wereld gericht kijken naar deze rand. Die rand is het punt waar ruimte en tijd helemaal veranderen en zelfs lijken op te houden. De zwaartekracht zorgt daar voor een maximale kromming van de ruimte. Dat is de waarnemingshorizon, tot waar een zwart gat waarneembaar is.
Het gat dat ik op het oog heb, bevindt zich in het centrum van onze mooie Melkweg. Daar is een superzwaar zwart gat dat geschikt zou moeten zijn voor mijn project. Om dit te bereiken gebruik ik het geld van bijvoorbeeld de Spinozaprijs, maar ik mis nog financiën om een telescoop te bouwen in Afrika. Met die telescoop kan ik de verschillende telescopen in Amerika, Europa en de Zuidpool goed met elkaar verbinden. Zo zou ik twee hele interessante gebieden met elkaar kunnen combineren: enerzijds samenwerking op topniveau starten met onderzoekers in Afrika en zo nieuwe onderzoekers opleiden en tegelijkertijd een bijzondere ontdekking doen.”

Wat gebeurt er als deze foto lukt?
“Wanneer ik die foto heb gemaakt, dan kan ik met pensioen! Dan hebben we een van de meest fundamentele voorspellingen van de algemene relativiteitstheorie bewezen: dat die waarnemingshorizon bestaat. Dat zal een enorme stap voorwaarts zijn. De waarnemingshorizon bestaat in theorie al bijna honderd jaar, dat zij echt zou kunnen bestaan beseffen we pas vijftig jaar, dat zij heel waarschijnlijk daadwerkelijk bestaat, weten we pas twintig jaar. Of zij echt bestaat, kunnen we nu bewijzen. Maar dan beginnen de problemen pas. Uit theoretisch onderzoek weten we dat als de waarnemingshorizon bestaat, de wetten van de kwantumfysica en de wetten van ruimte en tijd zullen botsen. Waar theorieën botsen, gebeurt iets fantastisch. Je weet: hier gaat iets nieuws gebeuren, dit is heel spannend. Het kan niet fundamenteler dan dit: ruimte en tijd is alles wat we hebben. Ons hele leven speelt zich af in de tijd en in de ruimte: het weefmateriaal van het universum. Dit weefmateriaal kan uitgerekt worden, kent krommingen of kan juist korter worden. Dat is heel gek, want wij ervaren ruimte en tijd gewoon als driedimensionaal en gelijktijdig. Dat vind ik het meest fascinerende van mijn vakgebied. Ik kijk naar iets wat bijna grenzeloos lijkt te zijn. Ik kan veel dieper kijken dan dat ik ooit op aarde zou kunnen zien. Er zijn hele werelden, melkwegstelsels, die te ontdekken zijn. Dat is ontzettend spannend. Ik ben altijd op zoek naar verder en verder, nieuwgierig naar hoe ver we kunnen komen en hoeveel we kunnen onderzoeken.”

U gelooft in God. Zoekt u God in de sterren?
“Ik houd mij bezig met puur natuurkundig vraagstukken. Ik zoek God niet in zwarte gaten of achter een planeet. God is waarschijnlijk het minst aanwezig in een zwart gat. Maar ik kan bepaalde aspecten van God anders beleven door naar het heelal te kijken; mijn beeld van God verandert wanneer ik naar de hemel kijk. Als ik de tijd neem om daar over na te denken, te genieten van de grootheid en de schoonheid van de hemel, dan is die grootheid zeker ontzagwekkend, soms ook weer geruststellend. Alles is ooit tot stand gekomen, op een bepaald moment begonnen. Maar door verder te kijken dan het aardse weet je, puur wetenschappelijk, dat er nog meer is, dat er grenzen zijn aan ons zicht. We weten niet wat we niet kunnen zien, we kunnen slechts raden. Een ander heelal, een parallel universum of nog iets groters of diepers, daar is grote discussie over. Sommige van die theorieën zijn nog vreemder dan het verzinnen van God. Als je zo ver kijkt, is het idee van een God zo gek nog niet. Er gebeurt zo veel buiten ons zicht, in de kwantumfysica en de kosmologie en daarbuiten. Uiteindelijk zitten wij hier, geplaatst in de wereld als deel van het heelal. Dat is het gekste, de mens als verzameling protonen en atomen die nadenkt over het universum. Hierin zie ik altijd een Mahnung, een herinnering voor ons dat dingen altijd nog groter, nog gekker, nog onbegrijpelijker kunnen zijn dan dat wij ooit kunnen zien.”

Naast uw werk als astrofysicus bent u voorganger binnen de protestantse kerk in Frechen. Hoe bent u dat geworden?
“Doordat ik vanaf mijn jeugd interesse toonde in de achtergrond van het geloof en actief was in onze kerk, ben ik daar benoemd als lekenpredikant. De predikant functioneerde als mijn mentor en ik bezocht een paar weken een seminarie. Na twee jaar werd ik geordineerd. Sindsdien ga ik gemiddeld eens per maand voor in een gemeente. Hoe vaker ik preek, hoe vergelijkbaarder ik het vind met college geven. Ik zou geen van beide willen missen. De kerk is een heel andere setting dan de universiteit, maar bepaalde mechanismen zijn hetzelfde. Als wetenschapper praat ik over de natuur, over metingen die we gedaan hebben; ik probeer uit te leggen wat die in een bepaalde context betekenen. Hetzelfde geldt voor een preek, waar je recht probeert te doen aan een verhaal en het probeert te begrijpen. Ik ben in beide gebieden op zoek naar waarheid. Ik probeer mij in die zoektocht te laten leiden door de natuur en de Bijbel.

Staan er wetenschappelijke feiten in de Bijbel?
“Sommige mensen kijken naar de Bijbel en zeggen dat alles symbolisch en verzonnen is. Ik denk wel dat de Bijbel symbolische taal gebruikt, maar je merkt wanneer dit zo is. Bij Genesis ligt dit bijvoorbeeld voor de hand. In het scheppingsverhaal gaat het niet om letterlijke dagen. Maar toch biedt het bijbelse verhaal een juiste beschrijving: de wereld is in fases ontstaan. Toen in de jaren twintig van de vorige eeuw de ontdekking van de oerknal wetenschappers schokte, was de paus een van de eersten die deze nieuwe visie overnam. Priester Georges Lemaître, die nauw betrokken was bij de ontdekking, waarschuwde wel direct dat dit geen wetenschappelijk bewijs van God was. Ook als ik de verhalen in het Nieuwe Testament lees, merk ik dat de zoektocht naar waarheid belangrijk was voor deze mensen. Dat zij dus maar gewoon even iets helemaal verzonnen, lijkt mij niet logisch; dat past niet bij deze mensen zoals ik ze leer kennen. De Bijbel is ook heel eerlijk; als er problemen zijn, bijvoorbeeld met Petrus, wordt dat verteld. De bijbelverhalen zijn door veel mensen geschreven. Ik vergelijk dat met wat we in de wetenschap peer review noemen: verschillende mensen kijken uit verschillende hoeken naar een gebeurtenis. Natuurlijk zijn in verhalen onzekerheden te vinden, omdat ieder mens het net iets anders vertelt.”

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda