FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
donderdag, 11 December 2014 12:35

In onze vergankelijkheid huist het wonder van alles

In onze vergankelijkheid huist het wonder van alles Tekst: Jan Bor Beeld: ANP Foto

 

Jan Bor (68) wijdde zijn leven aan filosofie en zen. Maakt grijzer ook wijzer? zo vraagt hij zich af. Wellicht, luidt het antwoord, maar dan zul je wel afstand moeten doen van alles waaraan je vastgekleefd zit. En zet je zelfbeeld ook maar bij het oud vuil. Alleen dan kun je, zoals de zenmeester Huineng zegt, ‘de poortloze poort’ doorgaan.

Maakt grijzer ook wijzer? Om mezelf op te warmen voor dit essay bladerde ik wat in een boek over Wellevenskunste van de Nederlandse humanist, geleerde en filosoof Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590). In een lange beschouwing over wijsheid citeert hij een niet bij naam genoemde dichter. Deze zou zowaar geschreven hebben: De voorzichtighe wysheyd by gheoeffende grysheyd.

Geen houvast
Met de nodige oefening, lijkt Coornhert te zeggen, ontstaat met het klimmen der jaren een zekere wijsheid. Of dat zo is, valt nog te bezien. Maar eerst: wat is wijsheid? Weet ik het, omdat ik een boekje onder deze titel publiceerde? Ik zou eerder zeggen: als ik iets ontdekt heb, is het dat ik het juist niet weet! De titel van mijn boekje was een knipoog naar de oorspronkelijke betekenis van filosofia: liefde voor de wijsheid. Moderne filosofen zijn vergeten dat hun professie wordt voortgedreven door een verlangen daarnaar.
Ik wist dus niet wat wijsheid is en weet het nu minder dan ooit. Vooral als ik kijk naar de werelden waarin ik me heb begeven, die van de filosofie en die van de zen. Als zij al bestaat, kom ik meer wijsheid tegen bij de bakker op de hoek (hij sluit zijn winkel om een brood naar een zieke buurvrouw te brengen) of de kroegbazin van café Het Waterlooplein (altijd een luisterend oor en een warme reactie). Ik zeg dat met pijn in mijn hart. Maar eerst even een verhaaltje uit de Zhuang Zi, het wijste boek dat ik ken, in de prachtige vertaling van Kristofer Schipper:

Toen Zhuang Zi op het punt lag te sterven, wilden zijn volgelingen een grote begrafenis voor hem bereiden. Maar Zhuang Zi zei: “Wat mij betreft zijn hemel en aarde de planken van mijn doodskist, de zon en de maan de twee jade ringen, de constellaties de kralenkettingen en de tienduizend dingen mijn grafgiften. Zijn alle dingen die ik in mijn graf moet meekrijgen dan niet volledig? Wat moet daar nog aan toegevoegd worden?”
“We zijn bang dat de raven en valken u, meester, zullen opeten!”, zeiden de volgelingen.
“Boven de grond zijn het de raven en valken die mij eten, en onder de grond de wormen en de mieren. Waarom partij kiezen voor de ene groep en niet de andere?”

Zhuang Zi had dus geen behoefte aan een graf; hij hoefde niet herinnerd te worden. Hij stichtte ook geen kerk. Hij beoefende de kunst van het loslaten. Valt deze te onderwijzen en te leren? Vallen wijsheid en compassie te leren en te onderwijzen?
Na vele jaren zen en nog meer jaren filosofie heb ik daar zo mijn twijfels over. Meer in het bijzonder vraag ik me al een tijdje af of al die types die zichzelf als wijs of heilig of kundig in mindfulnes of wat ook voordoen – al die meesters, en het zijn er steeds meer – of zij ook werkelijk in staat om je geestelijk en moreel te begeleiden? In dit verband twee momenten uit het recente verleden.
Een jaar of drie geleden bevond ik me in de zendo of meditatieruimte van een bevriend zenmeester. (Als je al met een zenmeester bevriend kunt zijn, aangezien het dragen van de meestertitel ongelijkheid met zich meebrengt, hetgeen de vriendschap in de weg staat.) Midden tussen de rijen zwarte kussens, allemaal keurig gerangschikt, bevond zich tegenover een groot Boeddhabeeld een lichtbruin kussen. Zit jij daar?, welde spontaan in me op. Moet, ging door me heen, een leraar zich zo uitdrukkelijk van zijn leerlingen onderscheiden en zich boven hen stellen? Het antwoord was een diep stilzwijgen.
Hoe vaak had ik het er niet met een andere vriend en zenmeester over gehad dat je zoektocht altijd een individuele en eenzame is, en de zen je hoegenaamd geen houvast bieden kan. Daar was hij achter gekomen en daar was ik achter gekomen. Zo ging ik weleens mee mediteren in zijn open en informele zen-groep. Rond dezelfde tijd als het vorige incidentje was ik er echter tot mijn verbijstering getuige van hoe hij zijn groep van de ene op de andere dag in een officiële sangha, een kerkje dus, omvormde. Shit, bleek mijn goede vriend ineens toch de goeroe te zijn die hij altijd ontkende te zijn? Ik hoef niet in details te treden, maar ik flipte ter plekke.

Niet-denken
Wat is dus wijsheid, zen-wijsheid? Het Oosten met zijn goeroedom en alle folklore daaromheen kopiëren? Jezelf op een troon plaatsen, in een zwarte pij hullen, daarmee je autoriteit bevestigen en doen alsof jij iets weet wat anderen niet weten? Er een gevolg op na houden, volgelingen om je heen verzamelen en een follow-up regelen (in de zen heet dat iemand transmissie verlenen)? Daarmee opgenomen worden in een zogeheten lineage, waarmee je jezelf in een litanie van heiligen plaatst.
Come on, zou ik zeggen, dat is geen wijsheid; dat is gewoon dwaasheid. Zhuang zi moest er in ieder geval helemaal niks van hebben. En de middeleeuwse zenboeddhist Linji, waar een groot deel van de zen zoals we die nu kennen op teruggaat, zei het zo: “Ik zeg je, er is geen Boeddha, geen leer, geen methode, geen verlichting!”
Waarom zijn deze er niet en gaat de gedachte van een ontwaakt iemand (dat betekent ‘boeddha’), een leer, een methode, een doel – daarmee het meestertje spelen, het overdragen van je meesterschap, dit alles binnen een daartoe opgetrokken organisatie – waarom gaat dat alles lijnrecht in tegen wat je de kern van zen zou kunnen noemen? Uiteindelijk omdat iedereen uniek is en zijn eigen weg heeft te gaan. Daarom zet ik inmiddels mijn vraagtekens bij het fenomeen spiritueel leiderschap: je moet het gewoon zelf doen; er valt in deze niets te onderwijzen, over te dragen, te leren. In de praktijk vallen de meesters ook bijna altijd door de mand: het hoogstaande ideaal dat ze aanprijzen maken ze zelf niet waar. Nogal logisch: het zijn ook maar gewone mensen met hun tekortkomingen.
Wat wijsheid dan wel is? Misschien begint het met het simpele feit onder ogen komen dat je juist onwijs bent, rusteloos, verward en dat je altijd weer tekortschiet. Mogelijk gebeurt dat in een moment van diepe crisis, wanneer je alles wat je dierbaar is kwijtraakt. In de traditie waarin ik gevormd ben heet dat ‘het sterven van de grote dood’. Daar kan geen gedachte, geen leer, geen methode, niks je bij helpen. Je staat er alleen voor en moet er alleen doorheen. Zou dat niet de ingang kunnen zijn tot wat in de zen – heel precies – ‘niet-denken’ wordt genoemd en dat er de spil van vormt: iets wat je nooit en te nimmer kunt weten, maar waar je wel doorheen kunt gaan? Zoals de zesde patriarch van de zen, Huineng, het rond 600 formuleerde:

Goede vrienden, deze leer van mij is van oudsher gebaseerd op het principe van niet-denken; ze heeft de kenmerkloosheid als essentie, en niet-hechten als grondslag. ‘Niet-hechten’ betekent dat men zich vrijmaakt van kenmerken, ook al bevindt men zich in [de wereld van] de kenmerken; ‘niet-denken’ betekent dat men vrij is van denken, ook al houdt men zich op in [de wereld van] het denken; ‘niet-hechten’ is de fundamentele Natuur van de mens.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda