FacebookTwitterLinkedIn
woensdag, 10 December 2014 15:57

'Ik ben nooit bij de pakken neer gaan zitten'

'Ik ben nooit bij de pakken neer gaan zitten' Tekst: Jurgen Tiekstra Beeld: ANP

 

In haar jeugd hoorde ze de Führer hysterisch schreeuwen "Ich würde die Juden ausrotten". Bloeme Evers-Emden overleefde twee nazikampen, stichtte een gezin, promoveerde en liet zich door haar zes kinderen bekeren tot het orthodoxe jodendom. "Maar ik leef niet met de oorlog, hoor."

Iemand die de jodenvervolging in de Tweede Oorlog ternauwernood heeft overleefd, kan een wat achtelozer kijk op de dood hebben dan anderen. Bloeme Evers-Emden (88) haalt haar schouders op. “Zoals de tijd onstuitbaar voortgaat, word je ouder. Ik probeer dingen te regelen voor als ik er niet meer zal zijn, maar daar willen mijn kinderen nooit over horen. Ik ga daar zakelijk mee om. Want ik heb me er bij neergelegd, hoor. Nou kijk, ik heb voor de dood gestaan. Dat was bijna een jaar lang de dagelijkse bedreiging. Ja, dan... Zal ik het zo zeggen: ik zie er niet tegenop. Het is een gewone gang van zaken: mensen leven en mensen gaan dood. En waarschijnlijk hoor ik bij die groep.”
“Die oorlogstijd was natuurlijk een verschrikkelijke bedreiging. Je levensverwachting komt op de helling. Ik was nog geen veertien toen de oorlog uitbrak. Ik fietste ergens toen Hitler een redevoering hield die op straat werd uitgezonden. Overal stonden luidsprekers. Het was een hysterisch overslaande stem: Ich würde die Juden ausrotten, ausrotten, ausrotten. Ik dacht: ik laat me niet ausrotten. Maar ik begreep wel dat het moeilijk zou zijn om aan die voortrollende tank te ontkomen. Ik heb gekke, gekke momenten van geluk gehad, waardoor ik erdoor ben gekomen. Bijvoorbeeld bij een huiszoeking in een huis waar ik ondergedoken zat. In dat huis haalden ze het bureau ondersteboven en rukten ze alles van zijn plaats. Ze waren uren bezig, maar ze sloegen de kamer waar ik sliep over. Ik heb daar geen enkele verklaring voor.”

Niet verlummelen
“Ik ben een bezig meisje”, vertelde Evers eerder, terwijl ze in haar woning in Amsterdam Slotervaart plaatsnam op de bank. Ze geeft nog wekelijks les in het jodendom, aan zes groepen cursisten, thuis bij haar aan de eettafel. Ze zit in vier besturen, waaronder in die van de kleine sjoel bij haar om de hoek, in de Nederlandse tak van de Israëlische stichting Yad Vashem en het JOK, een praatgroep van Joden die in de oorlog als kind ondergedoken hebben gezeten. Evers was er zelf zo één voordat ze via Westerbork in Auschwitz terecht kwam, en uiteindelijk bevrijd werd in het Oost-Duitse werkkamp Liebau.
Naast haar column voor het Nieuw Israëlitisch Weekblad schrijft ze nu aan, wat ze nadrukkelijk noemt, ‘mijn tiende boek’: hierin tekent ze de onderduikverhalen op die ze dertig jaar geleden hoorde van leden van de Joodse vrouwengroep Deborah, die ze mee had opgericht. Dit nieuwe boek herinnert aan de vier boeken die ze in de jaren negentig schreef over de psychologie en emoties van voormalige onderduikkinderen, hun biologische ouders en de mensen bij wie ze verborgen zaten.
‘Ik denk niet dat ik zo gek veel veranderd ben’, zegt ze. ‘Ik rende vroeger ook al door het leven. Ik had al heel jong het besef van het belang van tijd. Mijn huiswerk repeteerde ik voor mijzelf onderweg naar school, waarbij ik nog weleens tegen een lantaarnpaal aanbotste. Daar was ik me al jong van bewust: je moet je tijd niet verlummelen. Dat idee heb ik nu nog veel meer. Maar ik voel me geen 88. Ik ben bevoorrecht dat ik geen ziekten heb opgelopen. Iets waar ik nog meer met de neus op gedrukt word, omdat een goede vriendin van mij een heel slechte diagnose gekregen heeft. Dat trek ik me erg aan.’

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda