FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 08 December 2014 14:39

Seksueel misbruik verbeeld

Jeroen Brouwers tijdens een bezoek aan zijn oude kostschool Bleijerheide Jeroen Brouwers tijdens een bezoek aan zijn oude kostschool Bleijerheide Tekst: Anton de Wit Beeld: Klaas Koppe

 

De nieuwe en intussen door critici al veelgeprezen roman ‘Het hout’ van Jeroen Brouwers staat volgens Anton de Wit bol van de katholiekenhaat. “Als niet katholieken, maar joden of moslims het mikpunt zouden zijn van Brouwers’ vileine donderpreek, dan was dit land te klein geweest.” Wie invoelbaar wil maken waarom mensen de kerk zijn gaan haten, zal eerst moeten laten voelen waarom mensen überhaupt van de kerk hielden. Brouwers heeft daar geen interesse in. Het Ro Theater en de Ierse filmmaker John Michael McDonagh hebben wél oog voor de nuance.

’Ik ga je vermoorden”, zegt een onbekende man in de biechtstoel tegen de pastoor. De man wil wraak nemen op de kerk, omdat hij jarenlang seksueel misbruikt is door een geestelijke. Die is allang overleden, dus wraak nemen op de dader kan niet meer. Bovendien, zo zegt de biechteling: “Waarom zou ik een slechte priester vermoorden? Een goede priester vermoorden, dát maakt pas indruk.”

Integere film
In een notendop verloopt zo de openingsscène van de recente Ierse speelfilm Calvary. De film volgt de priester, father James, prachtig gespeeld door Brendan Gleeson, in de week tussen dit dreigement en de aangekondigde moord – zijn passieweek. Het trauma van het misbruikslachtoffer, die tot de ontknoping van de film onbekend blijft, moet hier leiden tot bloedige, onredelijke wraak, tot een therapeutische afrekening.
De film zelf had dat ook goed kunnen zijn. In Ierland is de teleurstelling over de daar nog niet zo lang geleden alomtegenwoordige kerk immers zeer groot. Verhalen over fysiek en psychisch misbruik door geestelijken en het zwijgen van de verantwoordelijke kerkleiders zijn daar talrijker en harder aangekomen dan bij ons. De schrijver en regisseur van Calvary, John Michael McDonagh, is daarbij een uitgesproken atheïst, met weinig sympathie voor het kerkelijk instituut. De film had dus goed een aanklacht of afrekening kunnen zijn, of een vorm van collectieve traumaverwerking. Hoogwaardige kunst levert dat zelden op, rinkelende kassa’s des te meer.
Toch: McDonagh verkoos de kunst boven de kassa. Calvary is een integere film, genuanceerd, geestig en menselijk, die clichés vermijdt en de collectieve onderbuik niet poogt te plezieren. Eerder het tegendeel: niet de kerkelijke omgang met misbruik, maar de publieke omgang met de kerk wordt getoond en bevraagd. Want hoe terecht de kritiek op de kerk vaak ook is, zij is niet vrij van hypocrisie en gemakzucht. De fouten van enkele priesters en bisschoppen worden wel erg gretig en eenzijdig op álle vertegenwoordigers van de kerk afgeschoven. En vormen ook een alibi om niets aan de eigen gebreken te doen. De dorpsgenoten en parochianen van father James zijn grof en cynisch, seksueel gefrustreerd, gewelddadig. De priester doet werkelijk zijn best een goede herder te zijn, probeert te verzoenen, veroordeelt niet. Toch stuit hij voortdurend op een wantrouwen en hoon, waaruit een grimmig moreel superioriteitsgevoel spreekt: wie is de kerk, na alles wat er gebeurd is, om mij de les te lezen?

Fascistische trekken
Dat Calvary die al te makkelijke en hooghartige kerkkritiek bevraagt, en dat de film nog zeer positief ontvangen is ook, is welbeschouwd opmerkelijk – want zout in een diepe, open wond. Zou zoveel nuchtere zelfkritiek ook in ons land mogelijk zijn? Ook hier zijn de verhalen van seksueel misbruik door geestelijken hard aangekomen, en we zijn daar nog lang niet klaar mee. Nu het stof van al het graafwerk van journalisten en onderzoekscommissies enigszins is neergedaald, lijkt ook in Nederland de tijd rijp voor een meer artistieke verwerking of verbeelding van het onderwerp.
Twee recente werken getuigen daar van, een roman en een toneelstuk. Allereerst de roman: Het hout van Jeroen Brouwers. Gesitueerd in een Limburgs jongensinternaat in de vroege jaren ’50. We wisten al uit het rapport-Deetman en de NRC-artikelen van Joep Dohmen dat er daar en toen het nodige is gebeurd dat het daglicht niet kan verdragen. Maar Brouwers doet er nog een royale schep bovenop. Het internaat is een strafkamp met fascistische trekken, angst en wantrouwen regeren. Niet een kleine minderheid, nee praktisch alle paters die er werken zijn bij Brouwers geile viezeriken die leerlingen mishandelen en verkrachten en in de biechtstoel likkebaardend informeren of de jonge biechteling nog gezondigd heeft tegen het zesde gebod, ‘Gij zult geen onkuisheid doen’. De paar paters die zich niet aan kinderen vergrijpen zijn kwezelachtige schimmen die er het zwijgen toe doen.
Op bijna iedere pagina wordt wel in geuren en kleuren beschreven hoe een engelachtig jongetje in de billen of balletjes geknepen wordt door een zwijnachtige franciscaan, of hoe de hoofdpersoon Bonaventura, een letterlijk en figuurlijk tandeloze spijtoptant, zich driftig aftrekt in zijn kloostercel. Niet Dohmen of Deetman, maar de beruchte achttiende-eeuwse pornograaf en fantast Markies de Sade moet Brouwers’ voornaamste inspiratiebron geweest zijn.

Rancuneus boek
Nu hoeft literaire fictie natuurlijk niet feitelijk waar te zijn, en de hyperbool is een beproefde stijlfiguur. Maar wanneer het om zo’n gevoelige historische periode gaat, zou een zekere waarachtigheid toch wel op zijn plaats zijn. Iedere maat, iedere nuance of redelijkheid is zoek in de zwartgallige tirade van Brouwers. In alle opzichten is het een onevenwichtig boek, en als kerkkritiek mist de roman elke geloofwaardigheid.
Waarom laat een wereldwijze jongeman, literair en cultureel volledig angehaucht en zonder enige religieuze gevoeligheid, zich plots als een bleu provinciaaltje tegen zijn wil in inlijven bij een door hem verafschuwde kloosterorde? Waarom praat een jonge weduwe, volledig ingeburgerd in haar Limburgse jarenvijftigdorp, met de toon en taal van een sarcastische 21ste-eeuwse atheïst over de kerk? Waarom onthult de huisarts uit het dorp de misstanden die hij zo nuchter constateert niet, terwijl hij toch niets vergoelijkt en geen enkel ontzag toont voor de broeders? Van dergelijke ongerijmdheden hangt Het hout aan elkaar. De karakters zijn misantropische karikaturen, de psychologie is zo plat als een dubbeltje, het verhaal is voorspelbaar en vermoeiend, de ontknoping (broeder Bonaventura trekt zijn pij tijdens een mis uit en ontvlucht het kloosterinternaat met enkele kinderen in zijn kielzog) een sentimentele platitude.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda