FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
maandag, 17 November 2014 09:21

Wie God verliest, krijgt hem terug

Wie God verliest, krijgt hem terug Tekst: Wouter Slob Beeld: ANP

 

Bestaat God? Postseculiere denkers als Alain de Botton vinden deze vraag niet meer relevant en wijzen op de voordelen van religie. In God geloven? Dat stadium zijn we inmiddels wel voorbij. Absolute zekerheid krijg je nooit, maar volgens godsdienstfilosoof Wouter Slob is dat geen reden om het geloof in God op te geven: “Geloof moet je niet willen bewijzen, geloven in God moet je doen.”

In de heftigheid van de Zwarte Piet-discussie zou je het bijna vergeten: hij bestaat niet, hoor! En Sinterklaas evenmin. Voor de intensiteit van de betoogtrant lijkt dat echter niet uit te maken. Bij deze discussie gaat het immers niet om een wezensbepaling van Zwarte Piet, evenmin om de historische vraag of Sinterklaas wel echt uit Spanje komt, maar gaat het om de betekenis van deze twee figuren in onze eigen concrete levens. Voor de tegenstanders van de zwartheid van Piet is de associatie van huidskleur met domme onderdanigheid doorslaggevend. Voor de voorstanders van Zwarte Piet staat de oer-Hollandse eigenheid op het spel. In beide gevallen gaat het dus vooral om de eigen identiteit.

Voorwaardelijk geloof
Hoe anders moet dat wezen bij een discussie over God. Hoewel de gelijkenis treffend kan lijken (oud, baard en goedheilig), is het duidelijk dat Sinterklaas een verklede oom is, een interessant folkloristisch figuur en een handig commerciële kruiwagen. God, daarentegen, dient ‘echt’ te bestaan om betekenisvol te wezen. Of dat wel of niet het geval is, is natuurlijk punt van discussie tussen theïsten en atheïsten, maar dat het bestaan van God een voorwaarde is voor de zinvolheid van religie, daarover zijn deze voor- en tegenstanders het eens.
Niet alleen atheïsten bezondigen zich aan de bestaansvraag. Ook theïsten, in hun ijver om het bestaan van God te bevestigen, aarzelen niet om zijn bestaan door middel van deze vraag ter discussie te stellen. Een teken van vertrouwen is dat toch niet, eerder een signaal van wantrouwen: ‘Ik wil best geloven en desnoods mijn ziel en zaligheid aan de Heer toevertrouwen, maar alleen als hij bestaat.’ Het theïsme is daarmee een uitdrukking van voorwaardelijk geloof. Maar is dat vreemd? Als God niet zou bestaan, zou hij wel érg sterk op Sinterklaas gaan lijken, en zouden we onze ziel en zaligheid vasthaken aan een folkloristische hersenschim, een leuk bedenksel, maar niet waar. We zouden onszelf bedotten; de zak die zo vol verrassingen voor de deur staat, hebben we er zelf neergezet.
In de discussie rond het bestaan van God doen vóór- en tegenstanders hun uiterste best de bewijslast op de schouders van de tegenpartij te leggen. Begrijpelijk, want het bestaan van ‘iets dat ons verstand te boven gaat’ is lastig aan te tonen of te weerleggen. Dat laat je liever aan de tegenstander over. Wederzijds wordt gewezen op het probleem dat de kracht van de gehanteerde argumenten afhankelijk is van de veronderstelde uitgangspunten. Elke argumentatie wordt zo circulair.

Onontkoombaar atheïsme
Wellicht heeft de atheïst Floris van den Berg daarom gelijk als hij de menselijk autonomie in dit debat centraal stelt en om die reden voor het atheïsme kiest. Is het geloof immers niet het gevolg van een onzindelijke indoctrinatie die de mens afhankelijk maakt van een bovennatuurlijke, metafysische, kracht? Een autonoom persoon zal nooit kiezen voor afhankelijkheid. Maar juist het beroep op de liberale vrijheid zadelt hem op met de ‘ongemakkelijke paradox’ dat mensen ook vóór het geloof kunnen kiezen.
‘Ongemakkelijk’ is die paradox slechts dan, wanneer je meent dat de keuze altijd tegenstrijdige keuzes uit moet sluiten. Maar die fase zijn we voorbij. In zijn gelauwerde studie Een Seculiere Tijd noemt de Canadese filosoof Charles Taylor dit als kenmerk van de late fase van de secularisatie: geloof is een optie, net als ongeloof. Waar ooit theïsten en atheïsten hun uiterste best deden elkaar te diskwalificeren, daar erkennen postseculiere gelovigen én ongelovigen wederzijds elkaars keuzes. Zonder hun eigen positie daarbij op te geven.
Vanuit gelovig perspectief is het atheïsme al langer een onontkoombare en onvermijdelijke realiteit. In het persoonlijke leven hebben de meeste gelovigen meer mensen zien afhaken dan volhouden, niet zelden hun kinderen en kleinkinderen. De tijd dat deze afvalligen konden worden uitgestoten is sinds lang voorbij. Gelovigen hebben door schade, schande en schuldgevoel moeten leren leven met de reële optie van ongeloof. In zekere zin liepen de gelovigen daarmee voor op de ongelovigen, die pas met de doorwerking van het postmodernisme hun exclusieve gelijk hebben opgegeven. Anders dan sommige hardnekkige tegenstanders lijken te denken, gaat het hierbij niet om het bejubelen van ongebreideld relativisme. Het gaat om de vaststelling dat rationaliteit geen universele grootheid is: context-bepaald en daarmee achtergrondgevoelig. De militante atheïstische aanspraken bleken net zo dwingend en uitsluitend als hun theïstische tegenhangers en vereisten daarmee in feite een zelfde soort God’s eyepoint of view om houdbaar te zijn. Precies dat perspectief werd hartgrondig ontkend. Het menselijk kenvermogen is echter beperkt en feilbaar, ontoereikend en verbeterbaar. Dat maakt zowel de exclusieve aanspraken van theïsten als atheïsten verdacht. Dit feit geeft hernieuwde ruimte aan de keuze voor religiositeit.

Herwaardering
Postseculiere denkers tonen dan ook opnieuw belangstelling voor het geloof. God was dood en begraven, maar lijkt te zijn herrezen! Niets nieuws voor gelovigen (hoewel velen er wellicht niet meer op hadden durven hopen). Maar voor ongelovigen nog niet zo makkelijk te geloven. Tegen de klippen op probeert godsdienstwetenschapper Koert van der Velde het bijvoorbeeld, maar hij komt niet verder dan slechts ‘flirten met God’. Geloven dat Hij bestaat, kan hij eenvoudigweg niet. Op soortgelijke manier komt filosoof Ger Groot steeds God weer tegen en voert journalist Joël De Ceulaer een pleidooi om ‘God niet weg te gooien’ (zie blz. 54).Zelfs een geharnaste modernist als Jürgen Habermas ziet inmiddels de waarde van geloof, de denker des vaderlands René Gude bekent de religiositeit misschien te hebben verwaarloosd en Alain de Botton ziet in religies ‘iets wat mooi, ontroerend en wijs is’. Maar allen benadrukken daarbij atheïst te zijn en te blijven.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda