FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
donderdag, 13 November 2014 09:59

'Dit boek is bovenal poëzie'

'Dit boek is bovenal poëzie' Tekst: Theo van Willigenburg Beeld:

 

Pieter Oussoren (1943) is predikant van de Evangelisch-Lutherse Gemeente in Apeldoorn en vertaler van de Naardense Bijbel (1994). Op 21 november a.s., om 16.00 uur, presenteert hij in de Nicolaikerk in Utrecht de tiende, sterk herziene editie van de Naardense Bijbel, in zakformaat.

Het lijkt misschien alsof ik in 1972, toen ik begon met mijn vertaalwerk een plan had, bijvoorbeeld om binnen een bepaald tijdsbestek de hele Bijbel vertaald te hebben. Maar zo’n georganiseerd mens was en ben ik niet. Ik begon wel, maar ik wist nog niet waaraan ik begon. Ik wist helemaal nog niet dat er ooit een complete Bijbel van zou komen. Ik had een voornemen, meer niet: elke dag een klein stukje Bijbel vertalen.”
Meer dan dertig jaar later, in 2004, was het dan toch zo ver. Predikant Pieter Oussoren leverde een complete bijbelvertaling af, de Naardense Bijbel. En nog eens tien jaar later verschijnt daarvan binnenkort een volledig herziene versie, in zakformaat.

Wat motiveerde je eigenlijk om in je eentje de hele Bijbel opnieuw te vertalen?
“Ik begon er in1972 aan omdat ik helemaal klem zat: ik wilde dominee worden en als je dominee bent moet je ook preken houden. Maar ik wist niet hoe ik preken moest: elke ‘stichtelijkheid’ ontbrak en ontbreekt me, en mooie gedachten voor de zondagmorgen vertrouw ik niet. Leuke voorvallen zijn zelden toepasselijk en vrome vrouwtjes die je spreekt verkopen vaak onzin.
Toch wilde ik voorgaan in vieringen op zon- en feestdagen, omdat ik daar in het algemeen als opgroeiend jongmens heel veel aan gehad had. Waar ik dan veel aan had? Het licht in een kerk, het gezelschap van mensen, orgelstukken en volks psalmgezang, gebeden, een verfrissend woord uit een eeuwenoud open Boek, de vraag naar een duit in een zakje, de zegenende aanwezigheid van een vriendelijke man of vrouw als voorganger – op zondag in een kerk en doordeweeks de huizen langs.
Vanaf m’n tiende wilde ik al werken in het kerkelijke bedrijf, en nu was ik 29 en kon ik aan de slag, maar wist ook dat ik geen zinnig woord uit mijn mond zou krijgen als ik niet elke dag een stukje Bijbel als ‘voor het eerst’ zag, in z’n eigen moers taal, als ik niet om zo te zeggen het schilderij even zag zonder vuil, verwering en gele vernis, in de originele kleuren die de schilder voor zich had gehad. Als ik niet zelf eerst verrast werd zou ik nooit iemand, laat staan een hele gemeente, kunnen verrassen; als ik niet zelf af en toe ontregeld werd vanuit Gods eigen boek, zou ik er niets en niemand mee kunnen opbouwen.
Dus: voor elke zondag ten minste één bijbelgedeelte gloednieuw, dát nam ik me voor. Ik had meegemaakt dat dat ‘werkte’: in de Domkerk in Utrecht, toen Hans van der Werf daar predikant was. Door zijn wekelijkse vertaalwerk en zijn preken en gebeden vatte ik moed, durfde ik het aan om een gemeente te beginnen en ‘moest’ ik wel gaan vertalen, zeer geholpen door een joodse vrouw die op mijn weg kwam, Mijntje van Tijn, die toch al vond dat in zélf bijbelvertalen de enige kans voor dominees en pastoors lag.
Zó is het gekomen, en als je dan maar op die manier aan het werk blijft heb je dertig jaar later heel veel van de Bijbel liggen en verschijnt er uiteindelijk een complete vertaling.”

Ben je door je vertaalwerk anders tegen de Bijbel aan gaan kijken?
“Ik heb er van overgehouden dat het een feest is om vele en verschillende bijbelvertalingen naast elkaar te hebben. Elke nieuwe vertaling voegt iets toe en heeft wat te melden, elke bewerking van een bijbeltekst trouwens ook. Maar wat me bij het herlezen van de teksten in hun grondtalen – Hebreeuws en Grieks – vooral is opgevallen, ook nu weer bij de herziening, is hoezeer de bijbelse literatuur poëzie is: tekst waarin de vorm en de inhoud nauw met elkaar verweven zijn. Dat zie je al in de manier waarop in het Hebreeuws de zinnen worden afgebroken, waardoor er bijzondere accenten ontstaan. De tekst in de Naardense Bijbel ziet er dan ook uit als één lang gedicht. Maar je ziet het ook in de manier waarop terugkerende motiefwoorden het ritme van de tekst bepalen. In Jona 1 staat elf keer het woordje jam – zee. Ik laat dat ook elf keer horen. Dat roept de vraag op: waar staat het de twaalfde keer? Twaalf is in de Bijbel een heilig getal, het getal van perfectie. En als het woord jam dan weer verschijnt, een hoofdstuk verder, blijkt het verhaal helemaal gericht te zijn op de ‘opstanding’ van Jona uit de diepte van de dreigende zee. Bijbeltaal is geen gewone taal: zij gebruikt oeroude literaire middelen en is in klank en woordgebruik een prachtige oosterse bibliotheek die ruikt naar woestijn, bergen en oases.”
Heeft zo’n oude bibliotheek aan teksten nog zeggingskracht voor vandaag?
“Ik ben steeds meer gaan ‘voelen’ dat de Bijbel niet een-op-een een kookboek voor ons geloof is, dat er altijd twee- tot drieëneenhalfduizend jaar tussen ons en de bijbeltekst ligt.
Ik krijg steeds meer vragen bij bekende verhalen en al te vertrouwde bijbelwoorden. ‘Wat zou hier nu eigenlijk bedoeld worden?’ In de kerk doen mensen nogal eens blasé over de evangeliën: ‘Die verhalen kennen we nu wel…’ Ja, zondagsschoolverhalen ken ik ook, maar wat de verschillende evangeliën nu eigenlijk willen weet ik steeds minder.
De bijbelteksten kunnen opnieuw gaan aanspreken als we ze weer laten schuren, als we het vreemde en onverwachte opzoeken. Elke zondag een stukje evangelie helemaal opnieuw bekijken: ik vind dat steeds spannender worden en probeer mijn gemeente daarin te betrekken. Neem Matteüs 10, 34. Meent niet dat ik gekomen ben om vrede te werpen op het aardland, zegt Jezus daar. Kun je vrede werpen in plaats van brengen? Je kunt een twistappel in een gezelschap werpen, maar ook vrede?

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda