FacebookTwitterLinkedIn
dinsdag, 04 November 2014 09:44

Ik kan het aan mijn kinderen niet uitleggen

Ik kan het aan mijn kinderen niet uitleggen Tekst: Willem van der Meiden

 

Een kwarteeuw geleden, op 9 november 1989, ging de Berlijnse Muur open. De val van de Muur luidde het einde in van de Duitse Democratische Republiek. Nog geen jaar later was de hereniging van Oost- en West-Duitsland een feit. De jonge theoloog Willem van der Meiden was niet zonder sympathie voor ‘het andere Duitsland’. Nu stelt hij vast: “Mijn keuze voor links en het socialisme , ik kan het aan mijn kinderen niet uitleggen.”

De laatste week van oktober 1989. Een kwarteeuw geleden. Die zondagavond liep ik met een vriend aan de oostkant langs de Berlijnse Muur. Het was stil op straat en herfstfris. We hadden net een pittig, maar boeiend studieweekend achter de rug van de Niederländische Ökumenische Gemeinde in de DDR. Ik mocht er een lezing houden en het ging over theologie en fascisme. Altijd actueel, maar dat weekend niet. De mensen die erop afgekomen waren, hadden andere zaken om over te discussiëren. Het gistte in het land, al weken. We liepen langs de Muur, keken omhoog en vroegen ons hardop af of hij er nog lang zou staan. De volgende dag reisden we terug. Elf dagen later lag de Muur omver.

Simplismen
Ik ben, maar dat is toevallig, sedertdien niet meer in Berlijn geweest. Dus die muur staat nog in mijn hoofd. Der Mauer im Kopf – een bekende namuurse uitdrukking voor mensen die het kreng maar niet uit hun hoofd konden krijgen en over Duitsland altijd met twee woorden bleven spreken. Daar heb ik geen last van.
Ik was een kersverse doctorandus van 35 jaar en hield in de zojuist gerestaureerde Französischer Dom in Oost-Berlijn een referaat over mijn scriptieonderwerp: een politieke lezing van het boek Edda en Thora van theoloog K.H. Miskotte. Dat boek was toen een halve eeuw oud en ik toetste Miskottes theologische analyse van het nationaalsocialisme aan de nazi-werkelijkheid. Wat kon deze theologie toevoegen aan de fascismeanalyses? Ik vond de tekst van mijn lezing onlangs terug – ik wond er geen doekjes om. De nogal eendimensionale fascismeanalyse van de DDR-ideologen kreeg erin enkele pittige vragen voorgeschoteld, even pittig als toen we enkele jaren eerder het fascisme wogen op maatschappelijke uitsluiting: antisemitisme, antifeminisme en homohaat. Daar spraken de fascismehandboeken in de DDR niet of slechts in de marge over. De DDR was immers gebouwd op de ruïnes van het door de nazi’s gekwelde Duitsland. Het oosten van het land werd bewoond door slachtoffers en verzetshelden, het westen door daders en meelopers. Grootkapitaal en imperialisme hadden de oorlog veroorzaakt, het communisme had er een eind aan gemaakt. De DDR was een land van arbeid, vrede en recht, het westen een land van uitbuiting, onderdrukking en bewapening. Oost-Berlijn beschutte zich met een ‘antifascistische beschermwal’ tegen het Westen en het eigen verleden. Nu kwam ik in de DDR weinig mensen tegen die het zo zout aten, maar van officiële zijde werden zulke simplismen gretig geventileerd. Dat stak ons. Het stak ook de mensen die we in Oost-Berlijn regelmatig ontmoetten.

Bonte verzameling
‘We’ en ‘ons’: wij waren leden en vrienden van de beweging Christenen voor het Socialisme (CvS), een kleine rebellenclub die zichzelf in de laatste jaren vóór de val van de Muur al had overleefd. ‘Opgeheven bij gebrek aan socialisme’ klonk het enkele jaren later. Anders dan in de beeldvorming achteraf was het een bonte verzameling van mensen, met veel linkse studenten, zoals ik, theologen, bevlogen kerkmensen uit heel Nederland, oecumenisch. Er waren veel verschillen van inzicht, maar CvS’ers deelden het verlangen naar een maatschappelijk betrokken theologie en kerkelijk spreken en een linkse bundeling van politieke partijen en bewegingen. Wat later GroenLinks ging heten, was voor de meesten van ons een vrome wens. Er was geen consensus over wat ons verbond en over te volgen strategieën. Naast de nodige luchtfietserij en onnavolgbare theologische drijverij, kwam er in deze Gideonsbende veel talent en elan bijeen waaraan ik me graag laafde. Maar aan de mensen nog meer.
Behalve over het Nederlandse politieke landschap en over de theologische tegenbewegingen heerste er ook groot verschil van inzicht over de realiteit en kwaliteit van het socialisme in de wereld. Er waren er die het belangrijk vonden om serieus in gesprek te gaan met de ‘mensen daar’, mede om het hun opgelegde isolement te doorbreken. Sommigen gunden het reëel bestaande socialisme zelfs het voordeel van de twijfel. Zij zagen er ontwikkelingspotentie in die vanwege de Koude Oorlog en de bewapeningswedloop geen kans kreeg, maar ooit…
Veel CvS’ers hadden echter niets met het socialisme in Oost-Europa. Misschien was ik zelf ooit gematigd optimistisch over wat daar kon gebeuren, maar na de jaren zeventig, toen ik de stelligheden in mijn leven niet meer aan elkaar reeg, was mijn ‘geloof’ daarin geslonken. Op bezoek bij vrienden in Polen, op vakantie in Tsjecho-Slowakije of zelfs op solidariteitsbezoek bij het ‘vrolijke socialisme’ op Cuba kreeg ik niet het gevoel in een beloofd land te zijn aangekomen. Zelfs op Cuba werden problemen verdoezeld of verzwegen en hadden andersdenkenden geen leven. Ik schreef stukjes over mijn verblijf op Cuba in het Utrechts Nieuwsblad. Brave stukjes, vergoelijkend – ik las ze laatst nog eens, met schaamte. In Nederland hadden de Christenen voor het Socialisme inmiddels van harte de nieuwe sociale bewegingen omarmd: feministen, radicale vredesstrijders, homoactivisten, milieuactivisten, krakers. Hoe wij ons toekomstige socialisme in Nederland zagen, formuleerden we in 1980 in een programmaboekje vol bezieling. Het zou in alle reëel-socialistische landen met hoongelach zijn ontvangen. Wij vonden het wel mooi.

Bezield verband
In de jaren tachtig waren er veel contacten tussen kerkelijke gemeenten in Nederland en de DDR. Dat had te maken met de bloei van de vredesbeweging in de jaren 1977-1983. Daar groeide het besef dat het goed was om vijandsbeelden bij te stellen door elkaar over en weer te leren kennen. Er waren tal van partnergemeenten en sommige ervan bestaan nog. Er bloeide veel moois op: gezamenlijke vredesinitiatieven, materiële hulp waar nodig, visioenen van een betere wereld. Kerken werden door de overheid in de DDR met argwaan bejegend en ook geschaduwd. Men vermoedde er kiemcellen van opstandigheid. De geschiedenis heeft haar in de kerken van Leipzig en elders eind jaren tachtig gelijk gegeven.
Onze contacten met de Nederlandse Oecumenische Gemeente waren anders. De gemeente was actief in Oost- en West-Berlijn en na de oorlog opgericht door Hendrik Kraemer en Bé Ruys, dit jaar overleden, werd er predikant. Ze bestond uit een bont gezelschap: Nederlandse dwangarbeiders uit de oorlog die in het oosten waren gebleven, andere Nederlandse immigranten en
tal van studenten en geïnteresseerden uit de DDR. Hun gezamenlijke noemer was dat ze geïnteresseerd waren in vernieuwende theologie, mee wilden denken over de verbetering van het socialisme in de DDR, maar vooral ook snakten naar een bezield verband, gezelligheid met een bite. Echte ‘antirepublikeinen’ vond je er nauwelijks, echte voorstanders van het politieke klimaat ook niet. Ze stemden vaak op de zogeheten Ost-CDU, toegestaan, maar ook gelijkgeschakeld als politieke partij – Angela Merkel komt ervandaan.
Partijleden van de SED – communisten dus – waren er niet, daar werd je ook niet zomaar lid van. Wel was er een jongeman die kandidaat-lid was. Hij was zo vrijmoedig, gematigd én gedreven, dat we de toekomst van de DDR zonnig inzagen als mensen als hij het voor het zeggen zouden krijgen. Maar verder was het vooral gezellig en wij deden als gasten ons best om onze zendingsdrang in te tomen. Wij hadden ook makkelijk praten. Stasi? Afluisteren? We maakten er wel eens grapjes over. Dat was naïef. Er heerste een sfeer dat je niet alles zei, een sfeer van omzichtigheid en doublespeak, want je wist maar nooit. Het was weinig moedig dat we daar niet serieuzer mee omgingen. Ik zelf heb dat althans niet gedaan en misschien had ik er iemand mee kunnen helpen. Zo dacht ik toen niet. Het was een giechelig onderwerp en het zou zo’n vaart niet lopen, dacht ik. Ten onrechte. Toen jaren later enigen van ons hun BVD-dossier opvroegen, waren ze verbijsterd over de knulligheid en willekeur waarmee ze ooit waren gadegeslagen of afgeluisterd. Een van hen las in haar dossier dat ze op een (openbare) ledenvergadering had voorgesteld om de reiskosten hoofdelijk om te slaan. Zo knullig waren de Stasi-activiteiten soms ook, maar de kwaadaardigheid ervan en het onvoorstelbare bereik van het netwerk van onderlinge controle doet je achteraf naar adem snakken.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda