FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
maandag, 06 October 2014 09:42

Weg naar het licht, de Ionische Zee!

Weg naar het licht, de Ionische Zee! Tekst & Beeld: Nico Keuning

Geerten Meijsing, schrijver van een groots en rijk oeuvre, verruilde doelbewust de Grachtengordel voor een leven op Sicilië. Juist wat betreft de Grachtengordel stonden hij en zijn schrijvende zus Doeschka altijd lijnrecht tegenover elkaar.

Zijn verschijning op het Domplein in Syracuse in licht pak, hoed en stok met zilveren knop roept het beeld op van Gustav von Aschenbach uit de novelle Dood in Venetië van Thomas Mann, gespeeld door Dirk Bogarde. Of dat van August Graf von Platen, de dichter en schrijver die in Syracuse stierf in 1835. Maar de man die in Ortigia langs de gevel van het Palazzo del Senato loopt, is de Nederlandse schrijver Geerten Meijsing (64) die zich dertien jaar geleden definitief op het schiereiland van de historische havenstad heeft gevestigd. Hij steekt het plein over dat baadt in het witte licht dat weerkaatst van marmeren zuilen, zandstenen gevels en plavuizen tegels van gepolijst ivoorkleurig natuursteen.

Melancholie
“Dit is dus het atmosferisch licht,” zeg ik even later, verwijzend naar een gesprek van jaren geleden, als we op het terras voor het Palazzo Beneventano del Bosco aan een tafeltje plaatsnemen en een koffie bestellen. “Met water!” zegt hij beslist tegen de ober. Vervolgens houdt hij een exposé over het bruisend effect van natriumbicarbonaat met citroen in een glas water. “Je hebt er recht op als je koffie bestelt, maar je moet er tegenwoordig om vragen, anders word je geript.”
Het licht dat hij zocht na zijn depressie die hij beschrijft in de roman Tussen mes en keel (1997) heeft hem goed gedaan. Meijsing heeft vanaf zijn debuut Erwin in 1974 een groots en rijk oeuvre opgebouwd. Stilistisch sterk, bruisend van leven. Bovendien heeft hij vele fraaie vertalingen op zijn naam staan. Grieks, Latijn, Italiaans, Frans, Engels. Roept u maar. Maar tijdens het schrijven van De ongeschreven leer (1995), over Plato, schroefde hij zich schrijvend vast in een diepe depressie. Altijd loert de melancholie als een tijgerkat in de schaduw. Altijd is er het besef van zinloosheid en vergankelijkheid. De gelauwerde, maar eigenzinnige en tegendraadse auteur heeft gekozen voor een leven in het buitenland. Daarin lijkt hij op eminente voorgangers als W.F. Hermans en Gerard Reve. In het artikel Eerste rit in Tirade (mei 2012), waarin hij herinneringen ophaalt aan zijn in 2012 overleden zus en schrijfster Doeschka, schrijft hij: “Eerlijk gezegd kan ik het best gedijen waar niemand mij kent, en waar ik geen vakbroeders of landelijke kunstluizen tegen kan komen.”
We steken het plein over en verdwijnen naast de Santo Spirito in de schaduw van een smalle straat. Dan dient zich opnieuw het wit en blauw aan. Alsof het geluk, zoals Meijsing schrijft in Siciliaanse vespers (2007), ‘als klaterlicht en emerald-zeewater over je [wordt] uitgegoten.’

Vergetelheid
We lopen langs de baai, waar zovele overheersers strijd leverden. Grieken, Romeinen, Arabieren, Normandiërs. In deze baai sneefde Michiel de Ruyter. We lopen door lagen van geschiedenis, maken er deel van uit. Ook van de mythologie, waarover Meijsing vertelt als we bij de bron van Aretusa zijn aangekomen. Aretusa die door Artemis in een ondergrondse bron werd veranderd toen de rivier Alfeo verliefd op haar was geworden. “Hier komen zoet en zout water samen,” vertelt Meijsing uit. Zijn stok tikt op de stenen als we voor het Castello Maniace linksaf slaan.
“Dit is mijn straat,” wijst hij. ‘Via Salomone’ vermeldt het straatnaambord. De naam hoeft niet geheim te blijven. “Ik doe niet open, want mijn deurbel is kapot. De telefoon neem ik nooit op.” De postbode rijdt op zijn brommertje voorbij en stopt bij de buren. “Is er geen post voor mij?” vraagt Meijsing in klaaglijk Italiaans. “Ik verwacht een pakket.” De postbode graait in de postbak op zijn bagagedrager. “Geen pakket.” “Grazie,”
reageert Meijsing gelaten. En tegen mij: “Je weet nooit of ze je adres overslaan. Om twee uur moeten ze thuis zijn voor de pasta. Dat is heilig.” Hij duwt de deur naar de hal open. “Welkom.” Pratend lopen we de trap op naar de deur van zijn appartement op de eerste verdieping. Een royale kamer, keuken, badkamer, werkkamer, slaapkamer. Vanaf het ‘Spaanse’ balkonnetje kijk ik de smalle straat in. Drie meisjes, zwart haar, dunne bloesjes, korte broek, slippers, lopen pratend en telefonerend voorbij. Geen scheurende scooters. De straat is een streep schaduw onder het laaiende licht.
In korte tijd ligt de tafel vol met vleeswaren, kaas, olijven. Meijsing heeft zelf brood gebakken. Hij zet een fles witte wijn Corvo (kraai) op tafel (de wijn verwijst naar de excentrieke schrijver Frederick Rolfe, AKA Baron Corvo, die ten onrechte claimde dat het zijn eigen wijn was) en water natuurlijk. Van het merk Lete, merk ik op. Het water dat zo veelvuldig in zijn werk ter sprake komt. “Dat is het water van de onderwereld,” legt Meijsing uit. “Dat betekent vergetelheid, als je ervan drinkt.”

Doeschka
Dit is het domein van Erik-Jan Provenier, zijn alter ego in zijn romans. Hier komt in Siciliaanse vespers (de titel verwijst naar de bloedige opstand van 1282 tegen de Fransen, de opera van Verdi en het katholieke avondgebed) vriendin Wolf op bezoek. Hier woonde hij met zijn dochter Chiara die studeert aan de universiteit van Catania.
Dertien jaar geleden reisde hij voor een proeftijd van drie weken naar Syracuse. Het atmosferisch licht moest dienen als antidepressivum. “Ik heb toen alle moed verzameld. Als ik het wilde proberen, moest het nu het nog kon. Weg naar het licht, de Ionische Zee.” Hij boekte een kamer in het Poolse hotel Gutkowski, dat later heel populair zou worden. “Overal waar ik kom, wordt het daarna een attractie voor toeristen. Dat heilloze mechanisme achtervolgt mij.” Door zijn boeken komt het niet. “Die hebben een vrij klein bereik. Anders dan die van mijn zuster.” Hij doelt op Doeschka die vanaf Robinson (1976) succes had en jaren later met De tweede man en 100% chemie een groot publiek bereikte. Haar roman Over de liefde (2008) werd bekroond met de AKO Literatuurprijs. Broer Geerten won twintig jaar eerder de AKO Literatuurprijs met Veranderlijk en wisselvallig, wat zijn schrijverschap destijds een stevige duw gaf. Maar hij is niet de schrijver voor een groot publiek, al werd zijn sleutelroman De grachtengordel (1992) wegens zijn polemische statement tegen de roddel en achterklap in het benepen Amsterdamse literaire wereldje goed verkocht.
Juist aangaande die grachtengordel stonden broer en zus altijd lijnrecht tegenover elkaar.
Thuis in mijn boekenkast staan broer en zus geschwisterlich naast elkaar. Maar de onderlinge verhouding is altijd moeizaam geweest, vol van animositeit vanaf het moment dat beiden zich in 1974 als schrijver manifesteerden. Toch schreven zij samen de dubbeldekker Moord & Doodslag, waarin Doeschka de haat-liefdeverhouding tussen broer en zus vergelijkt met die van ‘Kaïn en Abel’. “Onzin,” vindt Geerten. Hij was overigens helemaal niet blij met dat boek.
In Tirade schrijft hij: “Zij wilde naar Amsterdam en is daar gebleven. Dat was haar wereld, het centrum van alles. En daarin verschillen wij het meest: nooit heeft zij mijn immer toenemende afkeer van de grachtengordel begrepen. Niet alleen zou ik absoluut verruilen waar ik ben getogen voor een andere zee, nieuwe verschieten en niet vertrouwde taalgebieden, voor mij begon de wereld pas buiten de benauwende landsgrenzen, zo heb ik geweten vanaf die eerste tocht over de Alpen: in de Grote Landen is geschreven wat mij beter bevalt en daar is op heden het verleden nog aanwezig dat mij vanaf de schoolbanken heeft aangetrokken.”

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda