FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 18 September 2014 13:10

Uitverkorenen Gods - portret van het Witsenhuis

Uitverkorenen Gods - portret van het Witsenhuis Tekst: Nico Keuning Beeld: Aya Musa

Amsterdam-Oost was de biotoop van de Tachtigers. Hier hebben ze hun levens vereeuwigd in romans, polemieken, essays, (scheld)kritieken en gedichten. Het Witsenhuis roept herinneringen op aan doorwaakte nachten, drank, verhalen en ‘binnengedachten’ met ogen “vèr-weg dromend, de’arm op knie en hoofd op handpalm” (Kloos).

We kenden de stad al voordat we er woonden. De plekken waar de verhalen en gedichten spelen van Nescio, Bloem en de Tachtigers. De literaire werkelijkheid van feit en fictie. Het maakte niet uit, je herkende de straten, de huizen, het park. Het hek van het Oosterpark, waar de titaantjes uit het verhaal van Nescio hele zomernachten tegenaan leunden en honderd uit stonden ‘te boomen’ en weemoedig naar de klinkers tuurden. Of je keek met de ogen van de dichter J.C. Bloem door het raam van je studentenkamer en zag en wist “De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand / door zolderramen, langs de lucht bewegen” – ook al woonde je zelf niet in de Dapperstraat. Onder elkaar voelden wij ons als Willem Kloos, een God in het diepst van onze gedachten en wij citeerden uit Het IK van Lodewijk van Deyssel.

Wonderlijk gezelschap
We waren begin twintig en leefden als de Tachtigers. We haalden nachten door in kroegen, oudehoerden dat het een aard had, waren verliefd, maakten ruzie, citeerden onze favoriete schrijvers. We leefden, om met Willem Paap te spreken, in een ‘imaginaire nevelwereld’. W.A. Paap, die Vincent Haman had geschreven: de prachtige sleutelroman als parodie op de Tachtigers. Want er moest ook wat te lachen zijn.
Om te schrijven moest je kunnen kijken met de ogen van een schilder, wisten wij van Nescio (pseudoniem van J.H.F. Grönloh): “Toen zag ik de zon weer schijnen, ik zag de huizen in ’t licht en de boomen en den gouden schijn in ’t water. Voor ’t eerst zag ik de treurwilg gelen, zijn takken hingen, ze trokken naar ’t water. In doodstille gele aanbidding hingen ze er stom boven en zagen het gele licht in den vijver. De donkere blauwe en wollen witte wolken zeilden in den vijver. Ze schoven voor den blauwen hemel maar dekten hem niet.” Een tijdloos beeld. Zichtbaar als je op een zomerse dag anno nu aan de vijver in het Amsterdamse Oosterpark zit, ‘naast’ het beeld van de Titaantjes, aan de rand van het park tegen het hek. Drie jongens op een bankje. Koekebakker en twee andere titaantjes. “Mijn man en twee vrienden, jongens van 19-20 jaar,” zei Aagje Tiket, de weduwe van de schrijver tijdens de onthulling van het beeld van Hans Bayens in oktober 1971. Wie het ook zijn die naast Koekebakker zitten, Bavink, Bekker, Ploeger of Hoyer, het is het beeld van vrienden, jongens die de wereld willen veranderen.
De tijd van de titaantjes beslaat de periode 1912 – 1917. Maar ook wij, vijftig jaar later scholieren, zouden ‘ze’ wel eens laten zien hoe ’t moest. “We, dat waren wij met z’n vijven. Alle andere menschen waren ‘ze’. ‘Ze’, die niets snapten en niets zagen. ‘Wat?’ zei Bavink, ‘God? Je praat over God? Hun warme eten is hun God’. ” Het was een wonderlijke tijd, schrijft Nescio in de eerste versie van Titaantjes. En, voegde hij eraan toe, ‘het was een wonderlijk gezelschap’.

Festijn van beloften
Iets verderop achter het hek op het adres Oosterpark 82 staat het Willem Witsenhuis. Ontworpen in 1884 door Eduard Cuypers (neef van Pierre Cuypers, de architect van onder andere het Rijksmuseum en het Centraal Station). Dit kolossale beeldhouwersatelier met bovenwoning zou zich ontwikkelen tot het trefpunt van de Tachtigers. Schilders als Willem Witsen (1860-1923), George Breitner, Isaac Israëls, dichters en schrijvers als Willem Kloos, Hein Boeken en Frans Erens. Over ‘wonderlijk gezelschap’ gesproken. De schilders trokken de buurt in, vereeuwigden de directe omgeving, het landelijk uitzicht waarin nog geen sprake was van een park. Israëls (de umlaut gebruikte hij om zich van zijn vader Joseph te onderscheiden) schilderde straten, winkels, mensen. Breitner fotografeerde en schilderde de wasmeiden (‘waspitten’) op de grachten, de stadsuitbreiding, bouwplaatsen met houten palen waar werd geheid. Het alledaagse leven van de stad. Het volk. “Een onbevooroordeeld waarnemen van de werkelijkheid rondom, bij het zoeken van de Schoonheid,” schrijft Enno Endt in het prachtboek De schilders van Tachtig. “Ik bedoel dingen waarin ’t eigen karakter van Amsterdam is uitgedrukt,” schrijft Witsen in 1891 aan zijn (eerste) vrouw Betsy van Vloten, “omdat Amsterdam zoo gewéldig mooi is in z’n eigen mooiheid.”

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda