FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
dinsdag, 16 September 2014 13:31

De innerlijke God

De innerlijke God Tekst: Marleen Stelling Beeld: Diana van Houten

God in jezelf vinden. Een zoektocht die je samen met vele anderen aflegt. Mediterend, zo nu en dan zwevend op de wind, shoppend in de winkel der tradities – het klinkt makkelijk, maar wat is de werkelijkheid vaak anders. Marleen Stelling (23) over haar pad naar binnen.

Op een stralende zomerdag leg ik te voet de afstand af van station Driebergen-Zeist naar Maarn. Ik ga gekleed als heuse wandelaar. Grove wandelschoenen aan mijn voeten, de hengsels van een rugtas om mijn schouders. Door de stof van mijn sportbroek met panterprint heen voel ik dat de koele ochtenddauw nog laag bij de grond hangt.
Ik ben hier vaker geweest, maar toen hoorde ik meer dan het getsjilp van de vele vogels alleen. Achterop de fiets van mijn vader klonk het geknisper van zijn fietsbanden over het schelpengrit. Ik zat in het kinderzitje. Het was bruin, en mijn blote kinderbeentjes plakten door de warmte vast aan het gladde plastic. Ik ontdekte de natuur terwijl ik werd rondgereden, gedragen, met mijn wang schurend tegen het witte T-shirt van mijn vader aan.
Eenzaamheid is geen opgave vandaag. De bloeiende natuur straalt bevestiging uit, laat zien dat alles goed is. Toch bezorgt het beeld van het kinderzitje van vroeger mij weemoed. Niet omdat ik terugverlang naar toen, achterop bij mijn vader. Het is iemand anders die ik mis. Iemand die mij elders rondreed, droeg.

Klap
Wat waren we een goed stel, God en ik. Een gek stel ook. Want laat het nu net ook díe vader zijn die mij in mijn fantasieën verleidde om de kerk te verlaten. Met stevige wind hield hij me op zondagochtenden tegen om de negenhonderd meter van mijn huis naar zijn huis per fiets af te leggen. Dat lukte niet – de stimulerende kracht van mijn ouders was sterker. Maar toch, God wilde het niet dat ik ging, dat wist ik.
Eenmaal in de kerk hoopte ik, starend door de glas-in-loodramen, dat op een dag het moment zou komen dat God tegen het glas aan kloppen zou. Hij zou het raam openen en me bevrijden uit die voor mij zo benauwende krochten van de Nederlandse Hervormde kerk. Het was de plek waar ik mijzelf als ‘een arm tussen allemaal benen’ zag – een uitdrukking die ik in mijn dagboek teruglas en waarmee ik mijn eenzaamheid uitdrukte. Het was de plek waar ik mij niet gehoord voelde in de vragen die ik stelde over waar we nu in geloofden, en waar ik de rituelen meer en meer als verplichte handelingen ervoer.
Dat ik op mijn vijftiende de deuren van die kerk met een harde klap dichtsmeet, is dus geen verrassing. Dat twee jaar later mijn relatie met die gekke, recalcitrante God ten einde kwam, had ik daarentegen niet kunnen zien aankomen.
Tot die tijd was hij alles voor mij geweest. De aanwezigheid van zijn handen voelde ik altijd op mijn huid. Knedend om mijn bovenarmen op een school waar ik niet thuis was. Hij hield met zijn vingers een wacht op mijn lippen wanneer de pestende meisjes op het schoolplein voor de zoveelste keer de confrontatie met mij aangingen. En wanneer ik met het vallen van de avond mijn tranen losliet, streelde hij mijn rode blossen.
Niemand zag mijn leed, maar God was bij elke ademstoot die ik uitsloeg. Hij had de Hebreeërs uitgeleid uit het diensthuis van de Egyptenaren, en zo zou hij ook mij bevrijden van mijn gekwelde positie als gepest meisje. Van hem kwam mijn hulp, mijn ogen opheffend naar de bergen.
Ik had niemand anders en hij wilde niets liever dan de enige voor mij zijn. Bij hem voelde ik me gekend tot op de bodem van mijn wezen. Immers, hij was degene die mijn nieren vormde, had mij kunstig geweven in de schoot van de aarde, bewaakte mijn ingaan en mijn uitgaan. Hij kende de deling van alle cellen, het temperament van elk orgaan, tot in de bodem van mijn romp, en hij had dat alles intens lief.

Wringen
Wat hadden we het fijn, die jaren. Als jaloerse God en eenkennig meisje vormden wij het perfecte paar. Tot dat het meisje van puber naar vrouw begon te groeien, zelf wilde bepalen wat wel en niet kon, wat goed en fout was en wilde voelen hoe het was om op eigen benen te staan.
Het omhulsel van zijn constante aanwezigheid, van de intimiteit met hem, begon te knellen. Zó erg dat ik er gek van werd. Gek van de benauwende cocon die zijn handen vormden, maar ook gek van het oordeel dat hij velde als ik toch voor mezelf opkwam en scheldwoorden in mijn mond ontsproten, of toen ik later de intimiteit met mensen leerde kennen.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda