FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
maandag, 14 July 2014 09:00

Filantropie zonder fratsen

Nederland is bij uitstek een land van menslievendheid Nederland is bij uitstek een land van menslievendheid Tekst: Jeroen Schalk, Beeld: Mark Kohn

Nederland is bij uitstek een land van filantropie. Volgens Theo Schuyt, hoogleraar filantropie aan de VU, is Nederland dat al eeuwen. “De overheid buit dit uit met de term participatiesamenleving, maar zou dit positief moeten stimuleren”, stelt hij.

‘Vrijwilligers worden gezien als onbetaalde arbeidsreserve voor een bezuinigende overheid’, luidt een zin in het manifest Er waart een golf van idealisme door Nederland. Dit manifest, dat uit twaalf stellingen en een uitgebreide toelichting bestaat, is bedoeld om het rijke particuliere initiatief in Nederland te eren. Het manifest werd eind april op de Dag van de Filantropie gepresenteerd. “Maar dit verhaal heeft helaas ook een andere kant”, relativeert Schuyt, medesamensteller van het manifest. “Want wij maken ons zorgen.”

Participatiesamenleving
“De tegenwoordig zo populaire term participatiesamenleving is door politici gekaapt. Wij zijn al eeuwen zo’n samenleving.” Hiermee doelt Schuyt op de enorme hoeveelheid initiatieven die Nederland rijk is, zowel in de vorm van vrijwilligerswerk, als in de sector van goede doelen, die sinds de jaren negentig een sterke groei doormaakt. “De term participatiesamenleving zoals de overheid deze uitlegt, is een dekmantel die steunt op het idee dat vrijwilligers een onbetaalde arbeidsreserve zijn.”

Deze constatering komt ook terug in het manifest, maar een politiek statement wil Schuyt het 29 pagina’s tellende document niet per se noemen. “Al voor het huidige kabinet gestalte kreeg, waren wij bezig met dit manifest. Wij stellen negatieve ontwikkelingen op het gebied van filantropie aan de kaak, maar dat doen we vooral om het particuliere initiatief recht te doen.”

Mandela-effect
En volgens de hoogleraar is er alle reden voor zo’n lofzang. Tijdens zijn oratie in 2006 presenteerde Schuyt De Filantropieschaal, waarin motieven voor en mate van filantropie werden gemeten. “Nederland scoort hoog als het gaat om goede doelen steunen. Daarnaast zijn er enorm veel vrijwilligers en initiatieven in Nederland. De overheid buit dit uit met de term participatiesamenleving, maar zou dit positief moeten stimuleren. En dat begint met begrijpen hoe filantropie werkt. Filantropie komt namelijk uit de mens zelf, maar een ander kan ook je ook aanzetten tot filantropie.”

Daarvan geeft Schuyt twee voorbeelden: “Nelson Mandela was na zijn vrijlating niet rancuneus of wraakzuchtig. Hij zette zich onvoorwaardelijk in voor het welzijn en de toekomst van Zuid-Afrika, en dat hield hij jaren vol. Het zorgde voor een Mandela-effect; mensen beseften dat iemand zonder zelfzucht zich bekommert om andere mensen.” Het tweede voorbeeld haalt Schuyt uit religie: “Natuurlijk is Jezus ook een mooie vergelijking. Het verhaal over lijden en sterven voor de zonden van anderen laat pure filantropie zien. Hoeveel mensen heeft dat wel niet geïnspireerd?”

Gul volk
Maar menslievendheid is ook veel dichterbij. Het komt namelijk niet alleen tot uiting in een georganiseerde sector van goede doelen, en evenmin is zij slechts een bezigheid van religieuze sleutelfiguren, Nobelprijswinnaars of mensen met een haast mythische status. Filantropie zit simpelweg in de mens, zo lijken verschillende onderzoeken aan te tonen. In De Filantropieschaal bijvoorbeeld wordt gemeten hoe en waarom mensen gemotiveerd zijn om tot filantropische daden te komen - tot ‘weldoen’ dus, voor mens en aarde -, zelfs wanneer er niet direct een binding mee is. “We kennen waarschijnlijk geen een aardbevingsslachtoffer uit Haïti, laat staan een bedreigde walvis of pandabeer. Toch geven we gul aan organisaties die hier iets aan doen.” En inderdaad: het uitgebreide onderzoek Geven in Nederland, sinds 1995 iedere twee jaar uitgevoerd, toont een gul volk. En met de groei van de filantropische sector, groeit ook het geefgedrag. Uit het onderzoek blijkt dat de Nederlandse giften tussen 1995 en 2011 verdubbeld zijn tot een slordige 4,3 miljard euro. Dan gaat het om de filantropische sector, met daarbinnen grote organisaties als KWF Kankerbestrijding en het Prins Bernhard Cultuurfonds. Ten grondslag liggen intrinsieke motivatie en - volgens Schuyt een niet te onderschatten voorwaarde - betrokkenheid.

Vitamine V
Voor intrinsieke motivatie verwijst Schuyt naar de oratie die zijn collega René Bekkers in 2013 hield: De maatschappelijke betekenis van filantropie. Hierin onderbouwt hij dat wie vrijwilligerswerk doet, simpel gezegd een beter leven heeft. Vrijwilligers zijn gemiddeld gezonder (mentaal en fysiek), worden ouder en voelen zich gelukkiger. “We zouden vrijwilligerswerk vanwege de gezondheidsbevorderende effecten ‘Vitamine V’ kunnen noemen”, luidde een van Bekkers’ conclusies.
Schuyt probeerde daarnaast met De Filantropieschaal onder meer de intrinsieke motivatie voor filantropie, waaronder vrijwilligerswerk, te verklaren. “Het hoogst haalbare doel voor de mens is zelfverwerkelijking, in de meest brede zin. Bijdragen aan de overlevingskansen van de mensheid en onze planeet zijn daaraan onlosmakelijk verbonden”, vat Schuyt de motivatie samen.

Met deze conclusies zou er louter hoop moeten zijn; mensen willen blijkbaar tijd en geld inzetten om het goede te doen voor de medemens. Maar achter dat zonnige beeld doemt een dreigende lucht op. Cijfers, zoals die uit het onderzoek Geven in Nederland, laten zien dat naar schatting 38% van de Nederlanders in 2012 vrijwilligerswerk verrichte, tegenover 46% in 2002. De economische crisis, in het bijzonder de opgelopen werkloosheid, wordt hiervoor als een verklaring genoemd. Een harde conclusie ontbreekt.
“Verschillen zijn er trouwens wel”, zegt Schuyt, allereerst over het geefgedrag. “Religieuze mensen, ook niet-christenen, geven over het algemeen meer. En wat het geefgedrag onder de christenen betreft: hoe kleiner de kerkgemeenschap, hoe groter de giften per kerklid.” Ook in het vrijwilligerswerk zijn religieuze mensen, vooral christenen, in verhouding meer vertegenwoordigd. Dat kan verklaard worden door betrokkenheid binnen religieuze groepen, maar ook door bijvoorbeeld een religieuze plicht tot geven. “Bij kleinere kerkgemeenschappen is bovendien de kans groter dat je gevraagd wordt om te collecteren of om ander vrijwilligerswerk te doen.”

Overigens is de verhouding tussen filantropie en religie een interessante, vindt Schuyt. “Je zou kunnen constateren dat filantropie zonder religie kan, terwijl andersom bijvoorbeeld het concept van naastenliefde bij iedere religie een belangrijke plaats inneemt.” Schuyt deelt graag een voorbeeld dat hem altijd is bijgebleven. “In 1994 interviewde Henk Binnendijk voor de EO Herman Brood. In dit interview zegt Brood dat hij misschien wel meer religieus is dan Binnendijk, omdat hij zonder een god te hebben, weet dat hij deugt. Binnendijk daarentegen, aldus Brood, deugt misschien dus niet omdat hij een god nodig heeft.” Het interview verwoordt voor Schuyt treffend dat ‘willen deugen (voor een ander)’ verder gaat dan de grenzen van religie.

Politieke gotspe
Juist omdat intrinsieke motivatie en betrokkenheid de belangrijkste drijfveren voor filantropie zijn, is de participatiesamenleving zoals deze door de overheid wordt voorgeschoteld, wat Schuyt betreft een ‘politieke gotspe’; een verkapte bezuiniging op de verzorgingsstaat, en een totaal misplaatste inbreuk op zelfbeschikking van mensen en groepen. Schuyt waarschuwt voor troebele zaken die ontstaan als vrijwillige en gedwongen dienstverlening met elkaar vermengd worden.

In een interview met Advalvas, journalistiek platform van de VU, illustreert Schuyt dit met het voorbeeld van de cirkelbus in Voorschoten. Zo’n zestig vrijwilligers regelen daar met busjes het vervoer voor ouderen. Er is sponsorhulp van lokale bedrijven en de plaatselijke autorijschool leidt vrijwilligers op tot chauffeur. “Prachtig voorbeeld van vrijwilligerswerk. Dat heeft het gemeentebestuur ook ontdekt en wat doen ze? Ze komen met een plan om te bezuinigen op het gehandicaptenvervoer omdat de cirkelbus een deel van die taken in hun ogen wel kan overnemen.” Kortom: overheden, op landelijk en gemeentelijk niveau, hollen de participatiesamenleving die er al is uit, door vrijwilligers te laten opdraaien voor de rekening van bezuinigingen.

Schuyt noemt het daarom een ‘maakbaarheidsoproep’, een die wat hem betreft bevestigt dat de politiek er maar weinig van begrijpt. Wat politici volgens Schuyt wél weten, is dat er veel geld uit vooral de filantropische sector te halen valt. “De overheid ziet hoeveel kapitaal er in omgaat en wil het daarom reguleren, bijvoorbeeld met wetten. Maar de overheid vergeet dat particuliere initiatieven en organisaties voor goede doelen succesvol zijn geworden door zoveel mogelijk onafhankelijkheid.”

Afhankelijk van Den Haag
Overigens, wat onbegrip betreft gaan organisaties in de filantropische sector ook niet vrijuit. In deze sector wordt namelijk veel te weinig geëvalueerd, stelt econome Kellie Liket in haar recente proefschrift Why ‘Doing Good’ is not Good Enough. Haar conclusies hielden de gemoederen zowel binnen als buiten de sector flink bezig. Zo stelde Liket dat goede doelen slecht zicht hebben op het effect van hun bestedingen en daar bovendien een veel te rooskleurig beeld bij hebben. Goede evaluaties zijn daarom het antwoord om te controleren dat de goede bedoelingen van organisaties ook echt vertaald worden naar positieve resultaten. Want daar geven mensen voor.

Schuyt herkent deze bevindingen en voegt daaraan toe dat goede doelen afhankelijker worden van de overheid en subsidies die worden toegekend vanuit Den Haag. Maar volgens de hoogleraar valt er nog meer terrein te winnen in de filantropische sector: “Organisaties voor goede doelen hebben ook een deel van de donaties nodig om te investeren in de organisatie zelf. Vaak wordt dit slecht gecommuniceerd, waardoor er hevige verontwaardiging rondom vermeend ‘strijkstokbeleid’ ontstaat. Veel organisaties zijn daarmee al de mist ingegaan.” Sponsorevenement Alpe d’HuZes vormt een goed voorbeeld hiervan: mede door negatieve berichtgeving rondom declaraties van oprichter Coen van Veenendaal, daalde het aantal deelnemers voor de editie van dit jaar met een derde ten opzichte van het jaar ervoor.

Door miscommunicatie van goede doelen kan betrokkenheid schrikbarend afnemen. En wanneer de participatiesamenleving slechts neerkomt op een bezuinigingsmaatregel, dan heeft het meer met gedwongen dan met vrijwillige betrokkenheid te maken. Kortom, aldus Schuyt: “Er zijn kansen genoeg voor ‘weldoen’, maar dat kan alleen door het particuliere initiatief op waarde te schatten.”

PASPOORT
Theo Schuyt (1949) is hoogleraar filantropie aan de Vrije Universiteit

  • Sinds 1974 is hij verbonden aan de VU. In 2001 werd Schuyt bijzonder hoogleraar filantropie, sponsoring en vrijwilligerswerk. Deze bijzondere leerstoel werd in 2006 omgezet in een vaste leerstoel Filantropische Studies.
  • Ook zet hij zich in als bestuurslid voor onder meer het Centraal Bureau Fondsenwerving en is hij voorzitter van de Stichting Behoud en Herbestemming Religieus Erfgoed. 
  • Daarnaast is hij voorzitter van het European Research Network on Philanthropy (ERNOP).
  • In april 2013 werd Schuyt benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau, uitgerekend op de Dag van de Filantropie.
Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda