Verdriet om de Notre-Dame

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:

Notre Dame‘Notre Drame’ kopte de Franse krant Libération  na de brand die een groot deel van de Notre-Dame in de as legde. Veel Fransen beleefden de verwoesting van de Parijse kathedraal van Onze-Lieve-Vrouw als een persoonlijk drama. President Emmanuel Macron ging zijn natie voor in nationale rouw – “het is nu geen tijd voor politiek” – en sprak over de Notre-Dame als ‘een deel van ons allen’. Hij beloofde de kerk binnen vijf jaar in haar oude glorie te laten herrijzen: “Wij zijn een volk van bouwers.”

De reacties op de brand in Parijs leren ons het nodige over de plaats van religie en de betekenis van het religieuze gebouw in onze samenleving.
De protestantse benadering van het kerkgebouw is primair functioneel: de kerk is de plaats waar de gemeente zich verzamelt rond de kansel. De katholieke benadering is veeleer symbolisch: de kerk is ‘het huis van God’. God woont er letterlijk in de vorm van het gewijde brood (‘heilige hostie’) dat bewaard wordt in het tabernakel. In een vanouds katholiek land als Frankrijk zou de brand van de Notre-Dame – toch al een rijk met geschiedenis beladen gebouw – wel eens extra hard kunnen aankomen. Alsof God in het hart van Frankrijk en de Franse geschiedenis niet langer een woonplek heeft.

De katholieke beleving
heeft een seculiere vertaling gekregen in het werk van de Franse historicus Pierre Nora (1931) die het begrip lieux de mémoire, ‘plaatsen van herinnering’, muntte. Het gaat daarbij om herinneringsplaatsen – dat kunnen zowel fysieke plekken zijn als collectieve rituelen en symbolen – waar mensen in verbinding staan met het verleden. Dergelijke plaatsen behoren tot het persoonlijke en collectieve culturele geheugen en maken deel uit van de identiteit van een persoon, een groep, een natie. Nederlandse voorbeelden: het Nationaal Monument op de Dam, de Elfstedentocht, de Nederlandse vlag.
Ook kerkgebouwen vormen in onze samenleving krachtige lieux de mémoire. Dat geldt niet alleen voor monumentale en historische godshuizen – de Utrechtse Domkerk, de Sint-Jan in Den Bosch –  maar evenzeer voor dorpskerken. Dat wordt niet alleen zichtbaar bij een brand maar ook bij kerksluiting. Dezelfde mensen die op zondag niet langer de kerkdienst bezoeken en daarmee het doodvonnis over hun kerk uitspreken, tekenen niet zelden heftig protest aan wanneer het kerkbestuur besluit om het gebouw te sluiten of te laten afbreken.
Gelukkig blijkt het her en der mogelijk te zijn om minstens het exterieur van voormalige kerkgebouwen overeind te houden door het gebouw een andere bestemming te geven. In de noordelijke provincies ontfermen stichtingen zich over de vele historische dorpskerkjes. Eén van die kerkjes – in Fransum – werd door de dichter C.O. Jellema op weergaloze wijze bezongen en gekarakteriseerd als ‘kleine sarcofaag van het geloof’ en ‘van het uitblijvend antwoord de schrijn’.

Franse superrijken stelden luttele uren na de brand 600 miljoen euro beschikbaar voor de herbouw van de Notre-Dame. Ze hadden hun geld ook slechter kunnen besteden.