Suster Bertken: vroom op vier vierkante meter

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:

Je zou het er in tijden van quarantaine en zelfisolatie benauwd van krijgen, van de zelf opgelegde claustrofilie van de Utrechtse Suster Bertken (1427-1514). Op haar 30ste verdween Bertha Jacobsdochter, dochter van de proost van het kapittel van de Pieterskerk, in haar zelf bekostigde ‘kluis’ in de Utrechtse Buurkerk. Daar verbleef ze tot haar dood, 57 jaar later, in een ruimte van geringe omvang. De ene bron houdt het op slechts vier vierkante meter, een andere op de iets ruimere zestien vierkante meter. Zij bad daar, mediteerde over het lijden en sterven van Jezus en betoonde zich verwant aan de sfeer van de Moderne Devotie. Suster Bertken beleefde de mis mee vanuit haar kluis met zicht op het hoofdaltaar en hield regelmatig ‘spreekuur’ voor iedereen die haar vrome adviezen op prijs stelde. Ze at zoals we dat nu zouden noemen veganistisch, droeg altijd een grof haren kleed en in de stille uurtjes verrichtte ze nuttige arbeid.

Ook schreef ze teksten, die later in twee boekjes zijn uitgegeven. De meest opmerkelijke tekst is een kersttraktaat, waarin de geboorte van Jezus wordt beschreven als een mystieke ervaring van moeder Maria. Maria gaat op in een vurig verlangen naar God en raakt in extase. “Zo stond de roemrijke moeder en ze blonk van binnenuit met een grote helderheid, helderder en steeds helderder, en was over heel haar dierbare lichaam vochtig alsof ze bedauwd was. Er kwam een zoete geur van haar af, een geur die niet te vergelijken was met enige geur die hier op aarde te vinden was. Deze vochtigheid was niet met het geweld van pijnlijke moeite uit haar dierbare lichaam geperst, maar vloeide zoetelijk uit van overvolle jubel. Want zij had niet alleen geen pijn, maar was vol hemelse weelde.”

Het kind van God wordt geboren zonder dat het zijn moeder pijn doet. “Toen zij aldus de stilte van de wonderlijke vrede genoot en haar geest zeer hoog was opgevoerd, baarde de moeder Gods haar zoon zo snel, zonder hinder of letsel te ondervinden, dat de wijze waarop ze baarde te vergelijken is met een pijl die door de lucht vliegt: evenals de pijl niet door de lucht wordt gestuit of gehinderd, noch de lucht wordt gekwetst door de pijl, zo is ook de zoon van God ongehinderd voortgekomen, terwijl de moeder Gods daarbij ongekwetst bleef” (vertaling Martien de Jong).

In haar verhevenheid wordt het kind aan engelen gepresenteerd. Daarop daalt Maria terug naar de aardse werkelijkheid. Ze komt bij uit haar vervoering en drukt haar zoete kindje Jezus aan haar borst. Zo verplaatst Suster Bertken zich in haar ‘cel’ in Maria die op het punt van bevallen staat. Het is een passage uit het tweede boekje dat van haar is overgeleverd, met zelf gemaakte teksten: verschillende gebeden, liederen en deze mystieke ervaring van Maria en Jezus.

Zulke kluizenaressen waren niet ongebruikelijk in de late middeleeuwen en er is geen twijfel over dat Bertken haar isolement zelf gekozen heeft. Er waren in de middeleeuwen ook vromen die zich lieten inmetselen zodat ze zelfs niet meer in staat waren hun gevangenschap te verlaten. Die van Suster Bertken had in elk geval nog een deur. Wie zich liet opsluiten in een kluis stapte uit het aardse leven, werd ‘levend begraven’ in een aan God gewijde hemelse ruimte. Bij het betreden van de kluis werd dan ook de requiemmis opgedragen.

Het leven van Suster Bertken sprak velen tot de vrome verbeelding. Het inspireerde anderen tot afkeer. Zoals Hugo Claus in zijn vitalistische gedicht Het teken van de hamster uit 1964:
“En ollam, nappam et ciphum?/ Ja, nog met lijnwaad om mijn heilige delen, / Ja, nog happig, nog schipperend, nog melig, / En zonder te geloven in derffenisse van allen eygen dinghen, / In geen kluis, in geen harig kleed, / Harteloos kietelend uur na uur, / en daarom zonder eeuwig leven.”

Ollam, nappam en ciphum zijn de enige voorwerpen die je in een kluis mee mocht nemen: pot, mok en bord. Derffenisse van allen eygen dinghen: je verklaarde af te zien van alle bezit. Claus moet er niets van weten: liever linnen om de edele delen, liever gul, rebels en bronstig, en daarom dan maar zonder uitzicht op het eeuwige leven.

Naar verluidt werd Suster Bertken onder grote belangstelling in haar kluis in de Buurkerk begraven. In die kerk tingelen tegenwoordig uurwerken en donderen de pierementen van het Museum Speeldoos. ●