Leven en laten leven

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:

misbruik“De straf op seksueel misbruik zou net zo zwaar moeten zijn als die op moord.” Toen mijn oud-studiegenoot zijn opvatting over rechtvaardigheid prijsgaf, moest ik even slikken. Ergens begreep ik wat hij wilde zeggen. Toch ging mijn gevoel in verzet: hier klopt iets niet. “We kennen allemaal de verhalen van ‘een leven na misbruik’,” zei hij. “Dat is geen pretje. Slachtoffers van zo’n gruwelijk en mensonterend misdrijf weten vaak niet wat zij met hun leven aan moeten.”

Omdat we zo gemoedelijk Spaanse tapas deelden op de dromerige melodie van indiemuziek, bedaarde het initiële verzet enigszins. Gedwee nam het denken het stokje over van het sentiment.

De gedachte achter het gelijk bestraffen van moord en seksueel misbruik is dat er na beide ‘geen leven’ meer zou zijn. Maar hier zit een belangrijk verschil: er wordt op twee verschillende manieren over ‘leven’ gesproken. Het eerste gebruik is letterlijk. Na moord is er werkelijk geen restje leven meer over. Bij misbruik ligt dat toch anders. Daarbij wordt een leven tot op het bot gestript. Op z’n minst blijft daar het kale, biologische leven over: een polsslag, een gloed op de huid.

Slachtoffers kunnen zó bedrukt zijn door de inbreuk op hun menselijkheid, dat zij zich het zelfbeeld eigen maken dat de misdadiger hen met die walgelijke daad opdringt. Dat is het zelfbeeld van een passief, waardeloos wezen dat alleen bestaat om monsterlijke lusten op te botvieren. Het gevoel van waardeloosheid dat we bij de ander gewaarworden, vertalen we dan naar ‘levenloosheid’. Daarom zou er ‘geen leven na misbruik’ zijn.

Maar er is wél leven na deze figuurlijke dood. Ten eerste mag je een leven nooit zonder meer nietig verklaren. Dat is nu juist de grote onmenselijkheid van de verkrachter, die handelt alsof een leven onwaardig is. Ten tweede kan een misbruikt leven doorgang vinden. Denk aan slachtoffers die zich verzamelen in collectieven, die zich kunnen aansluiten bij de felle strijd tégen rape culture en vóór rechtspraak. Zo krijgt het tragische voorval een plaats als voedingsbodem van een hervonden levensvuur.

De wurggreep van de wanhoop kan dat vuur doven. Dan kan een slachtoffer het niet opbrengen om door te gaan. Maar daar ligt de opdracht voor omstanders: je kunt een leven redden door de waardigheid daarvan te bevestigen. Dat begint met de woorden: “Luister, je leeft.” En daarna: de structurele vernietiging van seksistische vooroordelen. Levensvuur wakker je sámen aan.

Mijn vriend wil de dader straffen voor zijn of haar ónmenselijkheid. Ik leg liever de nadruk op het slachtoffer, door zijn of haar menselijkheid te bevestigen. Beiden willen we er voor het slachtoffer zijn – niet voor de dader. Maar nee, lieve vriend, ik ontken je uitgangspunt: de verkrachter heeft niet de macht een leven te vernietigen.

Daniël Zevenhuizen (1996) is student filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en peilt het geloof en ongeloof van zijn medemens in deze tijd.