Johan van Oldenbarnevelt 4 eeuwen geleden vermoord

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Peinzend zit hij daar, Johan van Oldenbarnevelt, op zijn bronzen stoel aan de Lange Vijverberg in Den Haag. Hem werd eeuwenlang een standbeeld onthouden, maar in 1954 zette beeldhouwer Oswald Menckebach hem daar neer, uitkijkend op het Binnenhof, waar hij, nu vierhonderd jaar geleden, op 13 mei 1619 zijn hoofd verloor.
Johan van Oldenbarnevelt

Johan van Oldenbarnevelt

Een gerechtelijke moord, zoveel is wel zeker. Niet ver van hem op het Buitenhof staat een lotgenoot, Johan de Witt, 53 jaar later samen met zijn broer in een georkestreerde volkswoede gelyncht. Hun beider beeltenis staat niet op het Binnenhof, maar symbolisch ernaast met het gezicht naar de macht die hun het leven kostte. Die macht was oranje gekleurd. Ronald van Raak, Kamerlid voor de SP, wil Van Oldenbarnevelt al jaren naar het Binnenhof zelf slepen, maar dat lijkt niet te lukken. Er is veel voor te zeggen om het zo te laten.

Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619), geboren in Amersfoort, maakte de woelige jaren van de opstand tegen Spanje vanaf het begin mee, in zijn lange carrière die hem uiteindelijk advocaat van Holland maakte en de machtigste man van het land – dat nog nauwelijks een land mocht heten. Biografen tonen hem als een kundig jurist, een meester in het sluiten van verdragen en compromissen, een politiek polderaar avant la lettre. Hij weefde talloze netwerken, beheerste het diplomatieke spel en wist blindelings de weg in Europa en in de zich vormende Nederlandse ‘staat’. Oldenbarnevelt was trots op zijn adellijke afkomst en zijn in aantal groeiende bezittingen. Dat hij na zijn ‘proces’ te horen kreeg dat hij terechtgesteld zou worden, schokte hem minder dan het oordeel dat zijn bezittingen geconfisqueerd zouden worden. Ze braken zijn 71-jarige lijf, dat kon, maar ook wat hij in zijn leven had opgebouwd, en dat kon niet.

Nicolaas Matsier heeft de laatste maanden van Oldenbarnevelt meesterlijk beschreven in zijn recente roman De advocaat van Holland. Matsier slaagt erin de blikvernauwing te omzeilen waarmee we doorgaans alle historische levens bezien vanuit het perspectief van het resultaat van hun werk en het einde van hun leven. In zijn boek kunnen we Oldenbarnevelt in zijn maandenlange detentie op de voet volgen, van de onwrikbare overtuiging van zijn juridische gelijk tot de groeiende onrust dat zijn rechters daar geen enkele boodschap aan zullen hebben. Hij is niet anders dan de verliezende partij in het hoog opgelopen conflict met Maurits tijdens het Twaalfjarig Bestand. Dat conflict lijkt te gaan tussen orthodoxe en erasmiaanse protestanten, maar is minstens evenzeer een strijd om de macht en om het antwoord op de vraag: doorgaan of niet met de oorlog tegen Spanje.
Tijdens zijn gevangenschap speelt zich enkele tientallen kilometers verderop het drama van de Synode van Dordrecht af. Parallel aan de machtsovername van Maurits op het Binnenhof wordt in Dordrecht het lot bezegeld van de remonstranten. Sindsdien zit het Nederlandse protestantisme met schandalige Dordtse documenten. Het vierde eeuwfeest van ‘Dordt’ wordt in deze jaren gevierd, waar een boetedoening op zijn plaats zou zijn. Onwetend van wat er op de synode gebeurt, bekijkt de advocaat in zijn luxe cel zijn vreemde lot: van spin in het web tot een in het web geweven slachtoffer – de Oldenbarnevelt van Nicolaas Matsier kan er niet over uit.

Weet Matsier sympathie voor de oude regent te wekken – al vermijdt hij kundig de clichés – dat lukt minder goed in het biografische essay dat Theun de Vries in 1937 aan de advocaat van Holland wijdde. De Vries was net begonnen als journalist bij het communistische blad De Tribune en Oldenbarnevelt was zijn eerste politieke essay. Voor hem was Oldenbarnevelt een regent, een partijganger van de elite van Holland en stond de prins van Oranje tegenover hem als uitvoerder van de wil van het volk. De Vries zet Oldenbarnevelt neer – niet zonder sympathie overigens – als een telg van de adel, waar Maurits als een vroege voorloper van de soevereine volkswil wordt geportretteerd. Dat is zwart-wit, maar het was 1937. In Duitsland gebeurden vreselijke dingen, in de Sovjet-Unie trouwens ook, maar daarover was op dat moment nog veel minder bekend. Europa stond op barsten en De Vries schreef met scherp. Zijn boek oogstte voornamelijk bewondering, nauwelijks protest.
Het is een kwestie van perspectief. Dat geldt ook voor de blikrichting van de eenzame man, op de grens van zijn gelijk starend naar zijn schavot.