Gokken op God

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Blaise Pascal

Blaise Pascal (1623-62)

In de Pensées noteerde Blaise Pascal (1623-1662) zijn befaamde gedachte-experiment. Stel, dacht hij, ik geloof niet in God, en hij blijkt niet te bestaan. Dan is het om het even; zelfs als ik wel in hem zou geloven, blijft het resultaat gelijk: niets. Maar blijkt hij wél te bestaan, dan is met mijn geloof of ongeloof alles gemoeid. Geloof ik niet, dan wacht mij de verdoemenis; doe ik dat wel, de eeuwige glorie. De verstandige keus laat zich raden!

Toch bekruipt ons hier een vreemd gevoel. Geloof heeft voor de meesten meer weg van een persoonlijke reis met veel wikken en wegen dan van een goede gok. Althans, dat dacht ik. Tot voor kort, toen een vriend me op het hart drukte dat we toch wel met 99% zekerheid konden stellen dat er géén god is. Eén op honderd dus! Dat maakt Pascals kansspelletje toch wat minder eenduidig. Zeker als we al onze kostbare tijd hier op aarde verdoen aan dat soort fabels.

Pascal stond aan het begin van een nieuwe tijd, die in het teken stond van de emancipatie van het individu: de Verlichting. Iedereen werd geacht voor zichzelf te gaan denken. Geen wonder dat hij naar nieuwe gronden zocht om zijn godsgeloof op te enten. Dat kon hij niet meer klakkeloos van de traditie overnemen. Als wiskundige tilde hij zwaar aan de verdienste van de wiskunde om modellen op te tuigen die alledaagse situaties ondubbelzinnig in kaart konden brengen. In het huidige tijdsgewricht, dat vooral door de gedachte ‘meten = weten’ beheerst wordt, hechten we aan statistiek. Wat we onder de scanner kunnen houden, bestaat. Geen wonder dat dat idee de lens wordt waaronder ook God gelegd wordt, ter nadere inspectie.

Maar zoals de middeleeuwers (heus niet altijd die ‘dwazen van de donkere eeuwen’!) al wisten: God is misschien niet zo’n soort wezen dat je onder het vergrootglas aantreft. Die les kunnen we breder trekken. Een mens vind je namelijk óók niet door in de microscoop te turen. Daar zijn we te groot voor; zowel letterlijk als figuurlijk. Want wij worden niet alleen wie we zijn door het microscopische, maar ook door het macroscopische en het oneindig grote waartoe we ons verhouden. En dat laatste sluit ook de mogelijkheid van God in.

We kunnen nog heel wat leren van die voormoderne middeleeuwers en hun zienswijzen. Wetenschappelijke analyse is de zaken reduceren tot hun wezenlijke bestanddelen. Die reductie maakt helaas ook dat we het grotere plaatje uit het oog verliezen. De opvatting dat de wereld uit kwantumdeeltjes en energie zou bestaan is juist, maar gebrekkig. Wat een ding, wat de wereld en wat een mens is, hangt niet alleen af van wat we overhouden als we ze afbreken tot hun elementaire deeltjes, maar ook van hun samenhangen en samenleven.

Tijd dus om onze modernste meetinstrumenten even aan de kant te leggen. Dan zien we nog eens wat van de wereld dat níet in procenten uit te drukken valt.

Daniël Zevenhuizen (1996) is student filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en peilt het geloof en ongeloof van zijn medemens in deze tijd.