Anarchist en revolutionair met messiaanse allure

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:

domela‘Den Makker die de massa’s uit doodsche slaafschheid wekte’ kopte het communistische dagblad De Tribune op 24 november 1919, twee dagen na de uitvaart van Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) die 12.000 mensen naar Amsterdam trok. Dat was ruimhartig van deze krant, die het anarchisme, dat Nieuwenhuis in zijn laatste levensfase aanhing, en diens teleurstelling over de Russische Oktoberrevolutie in 1917 niet kon omarmen. Toch sierde een grote foto van de uitvaart en een necrologie met rouwrand de titelpagina van de krant, want het ging om het afscheid van de oervader van de radicale Nederlandse arbeidersbeweging.

Domela was de zoon van een evangelisch-luthers predikant, studeerde zelf ook theologie en was vanaf 1870 achtereenvolgens predikant in Harlingen, Beverwijk en Den Haag. In die jaren ontdekte hij de arbeidersbeweging en het werk van Karl Marx. Zijn werk als dominee kon hij daar steeds minder mee rijmen. Omdat hij niet wist of er een hemel bestond, weigerde hij bijvoorbeeld op Hemelvaartsdag te preken. Hij behield wel zijn hele leven een fascinatie voor de figuur van Jezus als radicale vernieuwer.

In 1879 hing hij zijn toga aan de wilgen, daartoe in staat gesteld door een erfenis, en richtte het blad Recht voor Allen op. Domela stortte zich in de politiek: tegen het kapitalisme, voor algemeen kiesrecht, tegen de gedwongen winkelnering voor arbeiders (die verplicht werden hun loon in de dure winkel van de baas uit te geven). Hij radicaliseerde, fulmineerde tegen de 5 K’s – Kerk, Koning, Kapitaal, Kazerne, Kroeg – kreeg een proces wegens majesteitsschennis aan zijn broek en zat zeven maanden gevangen in Utrecht. Dat hielp hem aan een messiaans imago dat hij zorgvuldig cultiveerde. Hij mat zich een Jezusachtig voorkomen aan en liet zich aanleunen dat men hem ‘Verlosser’ noemde. De historici Jan en Annie Romein-Verschoor verwoorden het ingetogen: “Zijn nieuwtestamentische vergelijkingen zijn legio en niet zozeer op rekening van zijn vaderlijke omgeving, zijn theologische studie en zijn oorspronkelijk ambt te schrijven, als wel op die van het Jezus-ideaal, dat hem altijd is blijven trekken als de pool de kompasnaald.”

Vooral de in de crisisjaren ’80 geradicaliseerde arbeiders en boerenknechten in Friesland droegen Domela op handen. Die hield in de Friese wouden fameuze toespraken en leidde hongertochten. Het verhaal gaat dat op een van die tochten een vrouw werd aangetroffen met een grote juten zak. Toen haar gevraagd werd waarom ze die zak bij zich droeg, zei ze dat ‘Ús ferlosser’ had gezegd dat de grote verdeling aanstaande was en dat ze iets wilde hebben om straks haar nieuw verworven bezit in mee te nemen. In Friesland kwam Domela ook op de kieslijst te staan.

Tot zijn stomme verwondering – en geholpen door een verrassend stemadvies van Abraham Kuyper – werd hij in 1888 gekozen in de Tweede Kamer als afgevaardigde van het district Schoterland. Maar als parlementariër kon hij geen potten breken. Domela schoof steeds verder op naar links in het socialistische spectrum, nam afstand van Marx, die hem te wetenschappelijk en te weinig hartstochtelijk was, en werd uiteindelijk anarchist. Van de gebeurtenissen in Rusland aan het eind van zijn leven distantieerde hij zich.

Enig narcisme was Domela niet vreemd. Het martelaarschap trok hem. Terar dum prosim stond er op een wandbord boven zijn sterfbed. Het was zijn levensmotto en hij had het overgenomen van Johannes Calvijn: ‘Laat ik maar verteren, als ik maar tot nut ben.’ Lijden was een thema in zijn leven: drie van zijn vier echtgenotes – ze heetten alle vier Johanna – stierven in het kraambed en hij overleefde enkele van zijn kinderen. Het droeg bij aan zijn messiaanse uitstraling en een ijdele dominee bleef hij eigenlijk heel zijn leven. Domela overleed een eeuw geleden, zeven weken nadat het Algemeen Kiesrecht in Nederland van kracht was geworden.

Vooral in Friesland is Ferdinand Domela Nieuwenhuis nog steeds een beroemde naam. In Heerenveen is een klein museum aan hem gewijd. Over hem verschenen twee biografieën: een matige – want nogal anekdotische – van Jan Meyers uit 1993 en een veel betere van Jan Willem Stutje uit 2012: Ferdinand Domela Nieuwenhuis, een romantische revolutionair. Stutje weet veel van de vroege socialisten en anarchisten en kan ook het predikantschap van Domela recht doen. De eigen memoires van Domela, Van Christen tot Anarchist (1910), telden bijna 800 bladzijden.

In de rubriek Grensverleggers portretteert Willem van der Meiden mensen die grenzen verlegden, overschreden of ophieven en zo de samenleving betekenisvol vernieuwden.

 

LEES OOK: ‘De ziel van een dichter, het lichaam van een bedelaar’, over de Heilige Franciscus.